Kerkgenootschap der Zevende Dags Adventisten Almelo Oude Deldenseweg 2 Almelo

Door Reinder Bruinsma

WOORD VOORAF


Alweer een boek over het geloof. Zo langzamerhand moet
je toch wel een goede reden hebben om de eindeloze rij van
boeken over dit onderwerp nog met één uit te breiden. Ik meen
dat er zo’n goede reden is.
Ik heb dit boek geschreven als zevende-dags adventist. In
de tien hoofdstukken van dit boek laat ik de belangrijkste pun-
ten van het christelijk geloof de revue passeren. Misschien zul-
len sommige lezers ontdekken dat mijn opvattingen op heel
veel onderdelen niet of nauwelijks verschillen van die van veel
andere christenen. Ik hoop eerlijk gezegd dat dit het geval zal
zijn: dat ik door velen alseen ‘broeder’ zal worden herkend. Ik
heb mijn doel in belangrijke mate bereikt als men na het lezen
van dit boek ontdekt, dat adventisten de grote christelijke waar-
heden hoog in het vaandel hebben geschreven.
Maar uiteraard is het ook mijn bedoeling duidelijk te ma-
ken waarin de adventistische visie op het geloof verschilt van
die van andere christenen. Wat beweegt mij en vele anderen
met mij om zevende-dags adventist te zijn? De titel van het
boek geeft aan dat ik van mening ben dat het hierbij om onbe-
tekenende details gaat, maar om zaken van wezenlijk belang.
Natuurlijk hoop ik, dat ik ten minste enkelen ervan kan
overtuigen dat de adventistische visie een hechte bijbelse basis
heeft. Maar ook als men niet overtuigd wordt, hoop ik dat
men - na lezing van dit boek - een duidelijker zicht heeft ge-
kregen op de boodschap van het evangelie en toch iets heeft
geleerd van wat adventisten daarover te zeggen hebben.
Reinder Bruinsma.8
BIJ DE TWEEDE DRUK
Het is alweer heel wat jaartjes geleden (om precies te zijn in
1978) dat “Het maakt wel uit wat je gelooft” voor het eerst
verscheen. De eerste druk kwam destijds uit in een flinke op-
lage, maar was vrij snel geheel uitverkocht. In de loop der ja-
ren zijn er van tijd tot tijd mensen naar me toegekomen die
me hebben verteld dat dit boekje hen op de weg van het geloof
heeft voortgeholpen en dat ze de bijbelse boodschap er beter
door hebben begrepen. Af en toe zulke reacties te horen schenkt
uiteraard een geweldige voldoening.
Nu de uitgevers besloten hebben dit boekje te herdrukken,
lag het voor de hand dat ik het nog eens grondig zou herlezen.
In de loop der jaren heb ik uiteraard een innerlijke ontwikke-
ling doorgemaakt en over sommige dingen denk ik nu wat
anders dan zo’n tien, vijftien jaar geleden. Ik hoop dat dit bij
mijn lezers ook het geval is! Maar toch heb ik geen reden ge-
zien om dit boekje ingrijpend te herzien. Ik heb een paar spel-
fouten verbeterd en hier en daar een paar zinnen gewijzigd,
met name omdat bepaalde tijdsaanduidingen niet langer klop-
ten. Maar al snel kwam ik tot de conclusie dat ik wat de in-
houd betreft in feite nergens ingrijpende veranderingen wilde
aanbrengen. Ik kan nog steeds beamen wat ik in 1979 schreef.
Ik hoop van harte dat ook deze tweede druk voor tenminste
een aantal mensen antwoord geeft op sommige vragen die zij
zichzelf al lang hebben gesteld en hen mag helpen de Heer
betekenisvoller te volgen.
Reinder Bruinsma.9
GOD
Toen de Russische astronaut Gagarin in 1961 weer veilig
van zijn ruimtereis op aarde was teruggekeerd, kondigde hij
aan dat zijn reis in meer dan één opzicht baanbrekend was
geweest. Nooit eerder was de mens zo ver in de ruimte door-
gedrongen. Nooit eerder hadden menselijke ogen zo ver kun-
nen kijken. En nooit eerder was iemand in staat geweest om
zo afdoende met een groot mysterie af te rekenen: Als er een
God bestaat, dan had Gagarin die wel moeten zien! En wat hij
ook had gezien tijdens zijn ruimtereis: niets of niemand die
zou kunnen beantwoorden aan de omschrijving die men ge-
woonlijk van God geeft! Nu het ruimtetijdperk verder is voort-
geschreden, kan men met recht glimlachen om de beweringen
van Gagarin. En in het nooit aflatende debat over de vraag of
er een God is, speelt de observatie van de Russische astronaut
zeker geen rol.
Dat die eeuwenoude vraag nog steeds gesteld wordt, is ie-
dereen wel bekend. En dat hij zeer verschillend wordt beant-
woord, weten we ook. Degenen die het bestaan van God ont-
kennen, doen dat even hartstochtelijk als zij die in God gelo-
ven. Bestaat God? Nee, zeggen velen. Er zijn belangwekkende
wetenschappelijke argumenten om niet in God te geloven. God
is een projectie, meer niet, een maaksel van ons eigen onvol-
wassen brein. God kan niet bestaan, zeker niet zoals christe-
nen Hem afschilderen. Als Hij er zou zijn, zou de wereld er
wel wat anders uitzien. Bestaat God? Ja, zeggen ontelbare an-
deren, mensen uit alle leeftijdsgroepen en maatschappelijke
groeperingen. Kijk maar om je heen, dan moet je wel in God
geloven. Er is geen enkele twijfel: we weten dat God bestaat.
We kunnen contact met Hem hebben, naar Hem luisteren en
met Hem praten!.10
De god-gelovigen en de god-ontkenners doen voor elkaar
niet in heftigheid onder als zij hun stellingen verdedigen. En
terecht. Want de vraag naar het bestaan van God raakt alles!
Het is geen vrijblijvende vraag naar een onbetekenend detail
van de levensgeschiedenis van de een of andere historische acht-
tiende-eeuwse persoon, geen speculatie over het weer of een
fijnzinnige, maar abstracte vraagstelling over de waarde van
een kunstvoorwerp. Nee, de vraag naar God is de meest fun-
damentele vraag die men zich stellen kan. Een vraag waar de
meeste mensen vroeg of laat in hun leven mee worden gecon-
fronteerd.
Bewijzen?
Het is geen vraag die zich wetenschappelijk laat beantwoor-
den. Men heeft dat wel eens gedacht. In het begin van deze
eeuw deed een filosofische stroming opgang, waarbij als uit-
gangspunt gold, dat je in het beoordelen van de werkelijkheid
alleen kunt afgaan op je zintuigelijke waarnemingen. Alleen
als je iets kunt zien, horen, ruiken of voelen, kan je er zeker
van zijn dat je niet bedrogen wordt. Alles wat je niet kunt
waarnemen, moet je aan de kant schuiven. Critici van deze
filosofie maakten de voor de hand liggende opmerking, dat
deze zienswijze zichzelf logenstraft. Want de waarheid van de
grondregel dat iets alleen maar waar kan zijn als het door de
zintuigen waarneembaar is, kan zelf niet op de vereiste manier
worden getoetst. Wie kan garanderen dat alleen zichtbare,
hoorbare, voelbare en tastbare dingen echt bestaan? Die ga-
rantie kun je niet krijgen door te zien of te horen of te voelen.
Dat zou je moeten aannemen op gezag van mensen die welis-
waar heel knap, maar niet alwetend of onfeilbaar zijn.
Een echt wetenschappelijk antwoord op de godsvraag is niet
te geven. Natuurlijk zijn er mensen die zeggen dat allerlei ver-
schijnselen in de natuur ‘bewijzen’ dat er wel een God moet
zijn. We komen daarop terug verderop in dit hoofdstuk. We
zullen zien dat er hier evenmin sprake is van ‘bewijzen’ als bij.11
de evolutiegeleerden die zeggen dat hun wetenschappelijke
inzichten het ‘bewijs’ leveren dat er geen God is.
In de loop der eeuwen (en ze zijn er ook nu nog wel) zijn er
steeds mensen geweest die wilden ‘bewijzen’ dat God bestaat.
Zo zijn er allerlei ‘godsbewijzen’ geconstrueerd. In de middel-
eeuwen kwam bijvoorbeeld Anselmus met een heel ingewik-
kelde theorie over het ‘zijn’, die uitmondde in de conclusie dat
voor iemand die goed nadenkt, de vraag of God bestaat nooit
anders dan positief kan worden beantwoord. Maar voor de
meeste moderne mensen is de middeleeuwse filosofie een soort
geheimtaal die alle zeggingskracht verloren heeft.
Andere godsbewijzen maken misschien wat meer indruk.
Zo redeneerde men vanuit de wet van oorzaak en gevolg. Elk
gevolg heeft een oorzaak. Maar wat ligt er dan aan de basis van
die oorzaak? Die oorzaak is het gevolg van een andere oorzaak,
enz. Zo kun je oneindig ver teruggaan en moet je wel conclu-
deren dat er heel in het begin van die reeks van oorzaak en
gevolg een eerste oorzaak moet zijn: God! Of men zei: Kijk
naar de ordening in het heelal. Alles heeft zijn doel. Hoe komt
dat? Er moet Iets of Iemand (God) zijn die dat allemaal zo
heeft gepland. Een graag gebruikt voorbeeld om dat te illus-
treren was het horloge. Als je een horloge bekijkt, met alle
radertjes die samen het uurwerk vormen, dan is het onont-
koombaar om ook aan een horlogemaker te denken! Of een
ander beeld waarmee men soms het probleem illustreerde: Stel
dat een reiziger in een haast ondoordringbaar oerwoud plotse-
ling een open plek ontdekt waar een keurig onderhouden huisje
staat met daaromheen een prachtig onderhouden tuin. De rei-
ziger zou er niet onderuit kunnen om te erkennen dat er ie-
mand is geweest die dit huisje heeft gebouwd en de tuin heeft
aanlegd!
Van een iets andere aard was het volgende argument, waar-
bij de redenatie globaal als volgt is: De mens heeft een besef
van goed en kwaad. Hij luistert naar een zedelijke wet. Als er
zo’n ‘wet’ is, dan moet er ook een ‘wetgever’ zijn: God. Op-
nieuw dus een argument vóór het bestaan van God..12
Er wordt verschillend gedacht over de waarde van dit soort
‘bewijzen’. Helemaal waardeloos zijn ze niet. Helemaal slui-
tend zijn ze evenmin. En voor zover ze inderdaad aantonen
dat er, als men logisch nadenkt, ‘iets’ moet zijn dat boven ons-
zelf uitstijgt, dan nog komt men hoogstens uit bij een god die
bepaald niet dezelfde behoeft te zijn als de persoonlijke, al-
machtige God waarover de christenen de mond vol hebben.
In alle eerlijkheid moet gezegd worden, dat die godsbewijzen
eigenlijk de meeste indruk maken op mensen die al in God
geloven. Wie al overtuigd is van het bestaan van God, zal in-
stemmend knikken bij het horen van de traditionele gods-
bewijzen. Maar wie niet gelooft, zal er niet gemakkelijk door
overtuigd worden.
Waar komt geloof vandaan?
Als dat waar is, zitten we wel voor een dilemma. Het zou
betekenen, dat een gelovige er tevreden mee zal moeten zijn
om zélf te geloven, maar niet mag hopen een ander tot geloof
te brengen. Hij kan zijn geloof niet doorgeven; hij kan het
hoogstens zelf kwijtraken. Er zijn in onze westerse wereld voor-
beelden genoeg waaruit blijkt dat dat laatste kan gebeuren.
Maar er zijn toch ook legio gevallen van mensen die gaan ge-
loven; mensen die eerst nergens van wilden weten, maar op
een gegeven moment trouwe kerkgangers blijken te zijn. Hoe
valt dat te verklaren? Als men in een godsdienstig gezin wordt
grootgebracht, is het voor de hand liggend dat er een vrij grote
kans is dat men het geloof van huis uit meeneemt. Maar ook
mensen die niet uit een godsdienstig milieu stammen, blijken
‘vatbaar’ te zijn voor het geloof in God. Is dat een teken van
geestelijke zwakte? Is het uit te leggen als een plotseling naar
de oppervlakte komen van iets dat bij het verre verleden van
de menselijke ontwikkeling behoorde, maar bij sommige in-
dividuen van het menselijk geslacht toch nog de kop kan op-
steken?
Het eigenaardige is, dat de vraag naar het ‘hoe’ en het ‘wan-
neer’ van het geloof onbeantwoordbaar is. Voor mensen die.13
altijd al geloofd hebben, is het nauwelijks een probleem: zij
kennen zichzelf niet anders; de dimensie van het geloof is van
kindsbeen af ingebakken geweest in hun bestaan. En voor
mensen die eerst niet in God geloofden en daarna tot het ge-
loof gekomen zijn, is dit proces een even groot raadsel als voor
de beschouwende buitenstaander. Soms kan men bepaalde
gebeurtenissen aangeven die een proces van zelfonderzoek en
een grote mate van belangstelling voor religieuze dingen heb-
ben teweeggebracht. Maar hoe het geloof precies ontstaan is,
blijft onnaspeurbaar. Het is in elk geval niet het gevolg van
een bewuste wilsdaad. Niemand kan zeggen: ‘Ik wil in God
geloven’ en als gevolg daarvan een minuut later omgetoverd
zijn van een ongelovige in een gelovige.
Wat geloof in God ook mag zijn en hoe het ook ontstaat,
het dient in elk geval au sérieux te worden genomen. Er zijn te
veel mensen in de wereld die rotsvast in het bestaan van God
geloven, dat men zich er zomaar van af kan maken door te
zeggen dat geloof een soort ontwikkelingsstoornis is bij men-
sen die ergens zijn blijven steken op weg naar de volwassen-
heid. Misschien zou men eerder de zaak mogen omdraaien:
Het niet geloven in God zou wel eens een aanwijzing kunnen
zijn dat er bij heel veel mensen iets niet in orde is. Zou het
kunnen zijn, dat de moderne mens God uit zijn wereld ver-
drongen heeft? Dat God bestaat, maar dat veel mensen de
mogelijkheid zijn kwijtgeraakt om een relatie met God te on-
derhouden? Kleine baby’s van enkele dagen oud zijn nog niet
in staat om te reageren op alles wat zij zien. Zelfs vlakken in
verschillende heldere kleuren kunnen zij niet van elkaar on-
derscheiden. Maar ze zijn wel in staat om te reageren op de
liefdevolle aanwezigheid van de moeder. Toch zien we soms,
dat een baby die al in de eerste dagen de signalen van liefde die
de moeder uitzendt kan opvangen en beantwoorden, later be-
paalde ervaringen meemaakt die tot gevolg hebben dat hij als
volwassene die mogelijkheid tot het verkrijgen en geven van
liefde totaal verliest. Psychotherapeuten en psychiaters heb-
ben een groot deel van hun werk hieraan te danken. Zou het
kunnen dat de mens ‘van nature’ het geloof in God bezit, en.14
dat de collectieve ervaring van de moderne mens hem het zicht
op God ontnomen heeft? Maar dat er gelukkig nog mensen
zijn die de band met God hebben behouden, en dat gelukkig
soms bij mensen die deze kwijt waren, het ‘licht’ als een soort
‘aha-erlebnis’ toch doorbreekt?
Het is niet onredelijk om dit aan te nemen. Ik heb als gelo-
vige op deze manier in elk geval een beginpunt gevonden om
over mijn geloof te praten, met andere gelovigen, maar ook
met niet-gelovigen. Zodra ik een betere verklaring mocht vin-
den voor het raadsel van geloof en ongeloof in het bestaan van
God, zal ik die graag aanvaarden. Maar tot zolang ga ik met
een gerust hart uit van dit beginpunt.
In dit boek gaan we er dus vanuit dat God bestaat. Een
bewijs voor het bestaan van God hebben we niet geleverd. Ik
kan getuigen van mijn geloof; ik kan het niet bewijzen. Dat is
tegelijk mijn sterkte en mijn zwakte. Mijn zwakte, omdat ik
vanaf dit punt veel lezers zal kwijtraken die een logische be-
wijsvoering verkiezen boven wat zij zien als een serie vrome,
maar oncontroleerbare beweringen. Maar ook mijn sterkte:
Mijn geloof is meer dan een aantal feiten waarvan ik aanneem
dat ze juist zijn. Mijn geloof in God heeft zeker te maken met
mijn intellectuele vermogens, maar het reikt verder: mijn ge-
loof raakt mijn totale persoon, mijn hele ‘ik’. En daarom zou
ik mijn geloof tekort doen als ik alleen met een verstandelijke
bewijsvoering zou komen. Geloof in God komt alleen tot zijn
recht in een getuigenis dat weliswaar niet voorbijgaat aan het
verstandelijke, maar daarboven uitstijgt als een gecombineerd
antwoord van hart én hersenen!
Welke God?
We gaan dus uit van het bestaan van God. Maar wat bedoe-
len we met dat woord ‘God’? De voorstelling die de natuur-
volken hebben van hun god verschilt nogal wat van de Allah
van de moslims. En de godsvoorstelling van het joodse volk is.15
niet in alle opzichten gelijk aan die van de christenen. Hoe
ziet de christelijke God eruit? Dat is een heel belangrijke vraag.
Alleen daarover kan ik met anderen van gedachten wisse-
len, want dat is de enige God die ik ken. Is de God van de
christenen de liefdevolle god die uiteindelijk elk mens zal ‘ver-
lossen’, of de god die misschien van te voren heeft uitgezocht,
wie uiteindelijk een glorieuze toekomst tegemoet gaat en wie
in een eeuwig brandend vuur terechtkomt? Is het de god van
de middeleeuwen, die zich in een mystieke extase liet benade-
ren, of de god van veel progressieve christenen uit de twintig-
ste eeuw, die zwijgend afstand genomen heeft van de mens? Is
het de god die inspiratie gaf bij de kruistochten en de slaven-
handel, of de god die de steun en toeverlaat was van mannen
als Martin Luther King en Dom Helder Camera? Is het de
god van de gregoriaanse gebeden of van de handenklappende
pinkstermensen?
Tegen veel van de traditionele voorstellingen is men in de
jaren zestig en zeventig in opstand gekomen. De overtuiging
van Nietzsche dat God dood is, werd door theologen overge-
nomen. In de jaren zestig en zeventig kon de god-is-dood-
theologie zich krachtig ontwikkelen, omdat het algemeen ver-
breide gevoel werd verwoord, dat men veelal geloofd had in
een God die niet meer functioneerde, of anders gezegd: in een
god, in plaats van God!
Wie is dan deze God? Deze vraag is per definitie niet volle-
dig te beantwoorden. Als wij mensen ons een volledig beeld
zouden kunnen vormen van God, zou er niet langer sprake
zijn van God, maar van een god. God precies beschrijven is
voor beperkte mensen onmogelijk. Als men dat probeert te
doen, worden woorden gebruikt als eeuwig, onveranderlijk,
almachtig en alomtegenwoordig. Die woorden zijn niet zon-
der betekenis; we komen daar straks op terug. Maar ze zijn
niet in staat om uitputtend te beschrijven wie en wat God in
diepste wezen is. Je kunt een liter zeewater meenemen naar
een laboratorium en daar analyseren. Je ontdekt dan dat daarin
allerlei scheikundige elementen in grotere en kleinere hoeveel-
heden aanwezig zijn. Maar de microscopische en scheikun-.16
dige analyses vertellen niets over de schrikaanjagende diepten
van de oceanen en de onmetelijke kracht van door orkanen
voortgestuwde watermassa’s.
Zo is het ook met onze beschrijving van God. Als God be-
staat (en daar gaan we dus vanuit), dan is Hij zover boven de
mens verheven, zo groots, zo oneindig en onbereikbaar, dat
elk menselijk spreken over Hem blijft steken in een kreet van
verbazing en ontzag.
En toch is dit maar één kant van de zaak. Want als het beeld
dat de christenen van God hebben, juist is, dan is God niet
alleen ontzagwekkend ver weg, maar tegelijkertijd dichterbij
dan zelfs onze naaste medemens kan zijn. Dan is God niet
alleen de almachtige Heerser van het universum, maar ook de
liefdevolle Vader van het menselijk geslacht, die Zichzelf be-
kendmaakt, ‘openbaart’, en de mens een glimp doet opvan-
gen van zijn majesteitelijke heerlijkheid. Hoe kunnen we meer
over God te weten komen? Het traditionele christelijke ant-
woord is drieledig.
God via de natuur?
Allereerst, zo wordt beweerd, kan je meer van God te weten
komen door de natuur te bestuderen. Koning David, die zo’n
drieduizend jaar geleden regeerde over Israël, verwoordde deze
claim in één van zijn gedichten als volgt: ‘De hemelen vertel-
len Gods eer, en het uitspansel verkondigt het werk zijner han-
den’. 1
Paulus, één van de grootste denkers die de christelijke kerk
ooit heeft gekend, sluit zich hierbij aan en zegt dat allerlei din-
gen die de mens uit zichzelf niet over God weet, ‘uit zijn wer-
ken’, d.i. de natuur, worden ‘doorzien’. 2
In het verleden heeft de christelijke kerk dit punt dikwijls
sterk benadrukt. Misschien té sterk. Want toegegeven moet
worden, dat deze openbaring op zichzelf niet voldoende is om.17
tot de conclusie te komen dat de God die we uit de natuur
kennen, de God van de christen is, de Almachtige, Ongeëve-
naarde. Het stille, kabbelende beekje en de woeste riviermassa’s
van de Missisippi; de machtige rotspartijen van de Rocky
Mountains en de Andes, en het vriendelijke heuvelland van
Luxemburg; het levengevende zonlicht en het dreigend rollen
van de donder; de ingenieuze bouw van de vleugel van een
vogel, en de brute kracht van de rinoceros; het machtige ra-
derwerk van planeten en sterren, en de wonderen van het
atoom; het zijn allemaal dingen die ontzag en verwondering
wekken en voor velen een onontkoombaar argument vormen
voor het bestaan van een Ontwerper, een Schepper.
De God van de Bijbel
De Bijbel wordt gewoonlijk beschouwd als een tweede
informatiebron over God. Op dit punt herhaalt zich ons pro-
bleem van blz. 10. Zoals men argumenten kan aanvoeren om
het bestaan van God aannemelijk te maken, maar er niet in
slaagt om een waterdicht bewijs te leveren, zo kan men ook
allerlei argumenten opnoemen die duidelijk maken dat de Bij-
bel meer is dan een gewoon boek; maar men zal in laatste
instantie de proef op de som moeten nemen en er maar ge-
woon van moeten uitgaan dat de Bijbel is wat hijzelf preten-
deert te zijn: het Woord van God. Wanneer men dan de bood-
schap van de Bijbel op zich laat inwerken, ontdekt men, dat
dit uitgangspunt juist is en dat men inderdaad in dit boek
door een hogere macht wordt aangesproken.
In het tweede hoofdstuk komen we hier nader op terug.
Op dit moment vragen we van de lezer de bereidheid om de
stap te wagen: voorlopig aan te nemen dat de Bijbel een be-
trouwbare informatiebron is over God.
De Bijbel geeft geen systematisch betoog over God, keurig
verdeeld in alinea’s en paragrafen. Maar als alle directe en indi-
recte opmerkingen over Hem worden samengevoegd, ontstaat
er het volgende beeld..18
God is onvergelijkbaar
De Bijbel omschrijft God als almachtig, eeuwig, onveran-
derlijk, alwetend en alomtegenwoordig. Het zijn menselijke
woorden die een geheim proberen aan te duiden dat in diepste
wezen onduidbaar is. Wat betekent ‘almacht’ voor ons men-
sen die elke dag weer ervaren hoe beperkt en machteloos we
zijn? Wat is ‘eeuwigheid’ voor ons die hooguit tachtig à negen-
tig jaar (of bij hoge uitzondering langer) leven, als we tenmin-
ste het geluk (?) hebben gehad om in het rijke Westen geboren
te worden en niet voortijdig door een hartaanval of door een
of andere vorm van kanker zijn geveld. Wie kan begrijpen wat
het betekent om zonder begin te zijn en zonder einde?
De kennis van de mens is in een razend snel tempo toege-
nomen. Een leerling op de middelbare school weet meer dan
de geleerdste wetenschapsman in de middeleeuwen aan ken-
nis verzamelde. De hoeveelheid kennis verdubbelt in onze tijd
binnen enkele jaren. Er was een tijd dat wetenschapsmensen
thuis waren in alle takken van wetenschap. Nu valt het moei-
lijk om de ontwikkelingen bij te houden binnen één zeer enge
specialisatie. Maar hoe meer men te weten komt, hoe meer
men zich ervan bewust wordt dat men nog bijna niets weet.
Elk antwoord roept weer honderden vragen op. Elke oplos-
sing brengt weer nieuwe problemen. Hoe kan men in deze
situatie begrijpen wat ‘alwetend’ inhoudt?
God is onveranderlijk
God blijft in diepste wezen altijd dezelfde. Dat kan van geen
mens gezegd worden. Niet elk mens is even veranderlijk. Niet
iedereen oefent twintig beroepen uit en verhuist met grote re-
gelmaat. En niet alle brave burgers veranderen plotseling in
misdadige elementen. Maar toch veranderen we allemaal voort-
durend. In ons geval is dat maar gelukkig ook. Zonder veran-
dering, zonder ontwikkeling, zonder uitdagingen om iets te
worden of te zijn, zou ons leven weinig waarde hebben. Maar.19
bij God gaan al deze dingen niet op. Hij behoeft niet te veran-
deren. Hij is volmaakt. Hij is God. Als de Bijbel zegt, dat er bij
God ‘geen verandering of zweem van ommekeer’ is 3 , dan wordt
dit niet voorgesteld als iets dat wellicht te betreuren valt, maar
als een logisch uitvloeisel van zijn God-zijn.
God is alomtegenwoordig
Die uitspraak stelt ons helemaal voor raadsels. We hebben
de middelen om ons snel te verplaatsen. Vliegtuigen vervoe-
ren honderden mensen tegelijk in enkele uren over de oceaan.
Maar hoe snel we ook kunnen reizen, we kunnen altijd maar
op één plaats tegelijk zijn. Hoe God een persoon kan zijn (het
woord ‘persoon’ is in verband met God nogal gebrekkig, maar
er is geen beter begrip in onze taal voorhanden) en toch overal
in het universum aanwezig kan zijn, gaat alle menselijke be-
spiegeling te boven.
Eeuwig, alwetend, almachtig, alomtegenwoordig, onveran-
derlijk. Het zijn termen om aan te geven dat God boven alles
uitstijgt. Toen Hij Zichzelf in een conversatie met Mozes een
naam gaf, noemde Hij Zichzelf: Ik ben. 4 Het woord dat in de
oorspronkelijke taal waarin dit deel van de Bijbel geschreven
is voorkomt, is ook wel vertaald met: ‘Ik zal zijn, die Ik zijn
zal’. Dat is Gods naam. Hij is. Hij is alles in de meest volko-
men zin. En wat Hij is, is Hij altijd geweest en zal Hij altijd
blijven!
God is liefde
In heel wat huiskamers hing vroeger een lichtbruin houten
bordje met daarop de woorden: ‘God is liefde’. De Bijbel schil-
dert ons God als rechtvaardig, goed, barmhartig en genadig.
Het zijn woorden die allemaal een diepgaande studie waard
zijn. Op dit moment willen we volstaan met vast te stellen dat
ze kunnen worden samengevat in één woord: liefde. Als er één.20
ding in de Bijbel wordt benadrukt, dan is het wel dit: God is
liefde. Al zijn daden vinden hun oorsprong in dat ene motief.
Wij als mensen weten ook van liefde. Zonder liefde zou het
leven onleefbaar zijn: liefde tussen ouders en kinderen, liefde
tussen man en vrouw, liefde tussen vrienden en familieleden,
maar ook liefde voor dieren en voor een ideaal. Maar geen van
deze soorten liefde is te vergelijken met Gods liefde, hoewel ze
er wel mee te maken hebben. De erkenning dat God liefde is,
valt soms niet mee. De vraag waarom er zoveel leed en ellende
is, komt steeds weer terug en heeft velen in vertwijfeling doen
afvragen hoe dood en verderf valt te rijmen met een almach-
tige en liefdevolle God. Het is een fundamenteel probleem waar
we zeker aandacht aan zullen moeten geven.
God is drieënig
Wie de Bijbel leest, wordt geconfronteerd met Jezus
Christus. Van Hem wordt verteld dat Hij altijd bestaan heeft
en zo’n tweeduizend jaar geleden op deze aarde kwam en mens
werd; dat Hij na zo’n drieëndertig moeilijke jaren aan een kruis
stierf, maar na drie dagen weer levend werd en toen na enkele
weken opsteeg naar ‘de hemel’. Wie de Bijbel goed leest, ont-
dekt dat Jezus op precies hetzelfde voetstuk wordt geplaatst als
waarop God staat. Als Jezus zegt: ‘Wie Mij gezien heeft, heeft
de Vader (= God) gezien’ 5 en: ‘Ik en de Vader zijn één, 6 dan
zegt Hij in feite: Ik ben helemaal, voor de volle honderd pro-
cent, gelijk aan God.
Doorlezend in de Bijbel komen we tot de ontdekking dat er
ook sprake is van een heilige Geest, aan wie ook dezelfde on-
vergelijkbare eigenschappen worden toegeschreven als aan God
Zelf. 7 Wat betekent dat? Zijn er dan drie goden, in plaats van
één God? Een soort van driehoofdige directie van het heelal?
Of moeten we het ons zo voorstellen, dat er één God is, die
Zich op drie verschillende manieren manifesteert, die drie ver-
schillende rollen speelt: die van ‘de Vader’, die van ‘de Zoon’,
en die van ‘de heilige Geest’?.21
Theologen hebben eeuwenlang met deze problematiek ge-
worsteld. En ze zijn er niet in geslaagd om tot een oplossing te
geraken. De spanning tussen de eenheid van God en de drie-
heid bleef bestaan. Soms werd de nadruk zó sterk gelegd op de
eenheid van God, dat er van de drie-heid niet veel overbleef.
En soms werd de drie-heid zó sterk benadrukt, dat de eenheid
van God in het gedrang kwam en men gevaarlijk dicht bij een
vorm van veelgodendom geraakte.
De term die men voor dit grote mysterie heeft bedacht, is:
drieëenheid. Het woord komt in de Bijbel niet voor, maar het
omschrijft beter dan enig ander begrip dat onverklaarbare feit
dat er maar één God is, maar dat er tegelijkertijd een drie-heid
is van ‘Vader’, ‘Zoon’, en ‘heilige Geest’. Voor het menselijk
verstand is die spanning tussen dit één-zijn en dit drie-zijn
niet op te lossen. Onze beperkte logica laat het hier evenzeer
afweten als begrippen als eeuwigheid en alomtegenwoor-
digheid. Maar als iets ons menselijk begrip te boven gaat, kan
het toch wel waar zijn. Want waarom zou ons eindige intellect
de norm zijn waarnaar het oneindige moet worden gemeten?
Hoe moeilijk het is om met menselijke woorden over God
te praten, blijkt ook al uit het woord ‘Vader’ en het woord
‘Zoon’. Als wij in onze menselijke verhoudingen over ‘vader’
en ‘zoon’ praten, dan bedoelen we daarmee een familierelatie.
De vader is ouder dan de zoon. Hij heeft zijn zoon verwekt.
Zijn zoon stamt van hem af. Als we de vader-zoon-relatie zó
proberen over te brengen op God, lopen we onherroepelijk
vast. Wanneer we over de ‘Vader’ en de ‘Zoon’ spreken, krij-
gen deze woorden een symbolische inhoud en duiden ze - bij
gebrek aan geschikter woorden - aan hoe nauw de band is tus-
sen deze goddelijke ‘personen’ en hoe zorgzaam God is voor
de mens: Hij zorgt als een ‘Vader’ voor zijn ‘kinderen’.
God is de schepper
‘In den beginne schiep God de hemel en de aarde’. 8 Zo be-
gint het bijbelverhaal. Overal in de Bijbel vinden we een echo.22
van deze woorden: God is de Schepper. Hij maakte de aarde.
Hij zorgde voor de flora en de fauna en Hij maakte de mens.
Hij sprak en het was er!
Dat is heel wat anders dan wat wetenschapsmensen ons over
het algemeen vertellen. In onze tijd blijkt ‘evolutie’ het wacht-
woord te zijn. Het leven ontstond door toeval, miljoenen ja-
ren geleden en ontwikkelde zich van een simpel eencellig we-
zentje tot wat wij nu zijn. Dat is wat ons van alle kanten wordt
ingepompt. Zelfs veel christenen zijn bereid om een heel eind
met deze gedachte mee te gaan en te veronderstellen dat God
bij zijn schepping gebruik gemaakt heeft van miljoenen jaren
durende processen. Maar laat niemand zich vergissen: wie zo
praat, praat niet over de God van de Bijbel, maar over een
door mensen geconstrueerde god. God is Schepper. Als dit
uitgangspunt wordt ondergraven, kan het christendom gerust
inpakken. Alle fundamentele beginselen worden dan van hun
zeggingskracht en inhoud beroofd. Ons bestaan is direct her-
leidbaar tot een goddelijke scheppingsdaad. Dat maakt het
‘dienen’ van God tot een ernstige en onontkoombare zaak.
Hij is onze Maker. Hij heeft recht op onze aandacht, onze
loyaliteit, onze aanbidding.
Niet voor niets doet de Bijbel in één van de laatste hoofd-
stukken van het laatste boek de oproep: ‘Aanbidt Hem, die de
hemel en de aarde en de zee en de waterbronnen gemaakt
heeft’. 9
Het levende woord
De Bijbel wordt het Woord van God genoemd. Maar er is
nog een informatiebron over God. De Bijbel duidt die aan als
het levende Woord. Daarmee wordt Jezus Christus bedoeld.
Dat Jezus geleefd heeft, kan niet serieus worden betwijfeld. Er
zijn historische bronnen die bevestigen dat er zo’n twintig eeu-
wen geleden in Palestina een man leefde die door zijn revolu-
tionaire opvattingen voor grote opschudding zorgde en op
aandringen van de joodse leiders door de Romeinse stadhou-.23
der Pontius Pilatus werd terechtgesteld. Maar het echte ver-
haal van Jezus vinden we in de Bijbel: het verhaal van Degene
die Zich zonder reserve inzette voor zijn medemens; die be-
reid was om beschimpt en uitgescholden te worden; die met
steniging bedreigd werd als dank voor zijn medeleven met zijn
volksgenoten; die verraden werd door één van de leden van de
groep die met Hem was meegetrokken; die stierf, terwijl Hij
tussen twee misdadigers aan een kruis hing. Dat verhaal vormt
de nauwkeurigste beschrijving van het karakter van God. Want
het bijbelse verhaal maakt duidelijk dat het leven van Jezus op
aarde ons een blik geeft op het wezen van God. Wie de door-
boorde handen van Jezus ziet en nadenkt over de doornen-
kroon, die Hem hardhandig op het hoofd werd gedrukt, be-
gint iets te begrijpen van onzelfzuchtige liefde die tot het ui-
terste gaat, en krijgt op die manier zicht op het wezen van
God. Wie de moeite neemt om het verhaal van Jezus’ leven
nauwkeurig te lezen en op zich te laten inwerken, zal erdoor
gegrepen worden en zal zich verwonderen over de liefde die
Jezus manifesteerde. En al lezende kan hij vaststellen: Zo is
God!
1. Psalm 19:2
2. Romeinen 1:20
3. Jakobus 1:17
4. Exodus 3:14
5. Johannes 14:9
6. Johannes 10:30
7. Zie bijvoorbeeld Matteüs 28:19; 1 Korintiërs 12:4-6. Opmerkelijk is
dat Jezus in zijn belofte van de komst van de heilige Geest spreekt over
een andere Tr ooster. Het Griekse woord voor ‘Trooster’ wordt ook met
betrekking tot Jezus zelf gebruikt (1 Johannes 2:1), terwijl het woord
‘andere’ volgens de grondtekst moet worden opgevat als ‘een ander van
dezelfde soort’. Overigens zijn er talloze teksten die aan de heilige Geest
goddelijke eigenschappen en activiteiten toeschrijven.
8. Genesis 1:1
9. Openbaring 14:7..24
DE ONVERBIDDELIJKE BESTSELLER
De Bijbel blijft een onverbiddelijke bestseller. In zo’n twee-
duizend talen worden bijbels of bijbelgedeelten jaarlijks in een
totale oplage van tientallen miljoenen exemplaren gedrukt en
verkocht. Welk ander boek doet dat de Bijbel na? Margaret
Mitchells boek ‘Gejaagd door de Wind’ en zelfs Mao’s ‘Rode
Boekje’ of Marx’ ‘Das Kapital’, boeken die als buitengewoon
succesvol gelden en waarvan miljoenen exemplaren over de
toonbank gingen, zijn een hopeloze mislukking, vergeleken
met het succes dat de Bijbel nog steeds heeft.
Hoe kan dat verklaard worden? Een verzameling religieuze
geschriften, die vaak erg moeilijk te begrijpen zijn, die zo’n
twintig eeuwen en in sommige gevallen meer dan dertig eeu-
wen geleden werden geschreven, tegen een achtergrond die
weinig gemeen heeft met onze wereld van de twintigste eeuw
en die toch nog steeds met interesse worden gelezen!
Alleen het feit dat de Bijbel de eeuwen getrotseerd heeft, in
vele honderden talen vertaald is en nog steeds door honderden
miljoenen mensen dagelijks gelezen wordt, maakt de Bijbel al
tot een uniek boek. Maar wat is er verder dat de Bijbel zo
bijzonder maakt? Wat heeft dat boek, dat voor een deel be-
staat uit saaie geslachtsregisters en aan elkaar geregen bloed-
dorstige krijgsverhalen, dat andere boeken missen?
Door God gedicteerd?
De schrijvers van de Bijbel beweren van zichzelf en van el-
kaar dat zij het Woord van God neerschreven. ‘Door de hei-
lige Geest gedreven hebben mensen van Godswege gesproken’..25
Dat is nogal een bewering. Als dat waar is, heeft de Bijbel een
dimensie die elk ander boek mist en is de Bijbel onvergelijk-
baar met welke andere literaire produktie dan ook. Daar komt
nog iets bij. Steeds weer zijn er mensen die zeggen dat de Bij-
bel hun leven veranderd heeft: dat de Bijbel een boodschap
heeft die zó aanspreekt, dat je er niet omheen kunt. Mensen
die in tijden van verdriet en wanhoop naar de Bijbel grijpen,
blijken er troost uit te putten. Grote aantallen mannen en vrou-
wen willen de dag niet beginnen zonder eerst een stukje in de
Bijbel te hebben gelezen - pas dan voelen ze zich in staat om
de nieuwe dag aan te kunnen. Mensen hebben zoveel
waardevols in de Bijbel ontdekt, dat ze desnoods liever sterven
dan hun Bijbel af te staan en dat ze bereid zijn hun leven in de
waagschaal te stellen om de Bijbel naar die gebieden te smok-
kelen waar door de autoriteiten het bijbellezen aan banden is
gelegd. Kortom: proefondervindelijk hebben miljoenen men-
sen, behorend tot allerlei verschillende nationaliteiten en ras-
sen, met zeer uiteenlopende culturele achtergronden en van
allerlei ontwikkelingsniveaus, vastgesteld dat die Bijbel voor
hen iets doet waartoe geen enkel ander boek in staat is.
Het bijzondere karakter van de Bijbel wordt door hen die
in de Bijbel geloven dus toegeschreven aan het feit dat de Bij-
bel een geïnspireerd boek is. Nu is inspiratie een begrip dat
door allerlei mensen verschillend wordt opgevat. Sommigen
denken dat de bijbelschrijvers letterlijk, woord voor woord,
noteerden wat een goddelijke stem dicteerde. Die opvatting is
onhoudbaar, want zij klopt niet met de aantoonbare feiten.
Allereerst zou deze manier van denken tot gevolg hebben dat
we onze bijbelvertaling niet als geïnspireerd zouden mogen zien.
De oorspronkelijke talen waarin de Bijbel geschreven werd zijn
immers Hebreeuws, Aramees en Grieks. We zouden dus moe-
ten aannemen dat de goddelijke stem de boodschap in deze
talen doorgaf en dat alleen deze oorspronkelijke, letterlijke
versie voor de volle 100% geïnspireerd genoemd mag worden.
Maar afgezien daarvan: de bijbelse geschriften dragen duide-
lijk de signatuur van de verschillende schrijvers; er is verschil
in stijl en woordgebruik; er is verschil in denkpatroon; op de.26
achtergrond is er vaak een groot verschil in wereldbeeld. Er is
zelfs een aantal onderlinge tegenstrijdigheden. En er valt dik-
wijls een ontwikkeling in bepaalde ideeën waar te nemen. Wat
inspiratie ook mag zijn; het is geen goddelijk dictaat. Er is een
duidelijk menselijke factor waarmee rekening moet worden
gehouden.
Het andere uiterste
In onze tijd zijn veel bijbelgeleerden naar het andere uiter-
ste overgestapt. Zij beschouwen de Bijbel niet als een verslag
van wat God wil doorgeven aan de mens, maar als een mense-
lijke weergave van hoe mensen hun relatie tot God ervaren
hebben. Dat maakt natuurlijk een groot verschil, want zo be-
zien blijft de Bijbel een interessant en ‘inspirerend’ boek, maar
verliest hij zijn absolute normbepalende karakter. De moderne
bijbelwetenschap is in de loop van de vorige eeuw een richting
ingeslagen die ertoe geleid heeft, dat de menselijke factor in de
Bijbel een te grote aandacht heeft gekregen ten koste van de
goddelijke. Zo kwam men bijvoorbeeld tot de overtuiging dat
de eerste vijf gedeelten van de Bijbel - de zgn. vijf boeken van
Mozes - niet van de hand van één schrijver konden zijn, maar
uit verschillende bronnen en tijden afkomstig waren en in la-
tere tijden door redactionele bewerkingen tot één geheel wa-
ren gesmeed. Nauwkeurige studie van het boek van de profeet
Jesaja leidde tot de conclusie dat de eerste negenendertig hoofd-
stukken van dat boek niet dezelfde schrijver konden hebben
gehad als de hoofdstukken daarna (hoofdstukken veertig tot
zesenzestig), vanwege enorme verschillen in woordkeus, beeld-
spraak en benaderingswijze die men meende te kunnen ont-
dekken. Terwijl men tevoren vrijwel altijd had aangenomen
dat het boek Daniël geschreven was door iemand die Daniël
heette en een belangrijke positie bekleedde aan het Babyloni-
sche en later aan het Perzische hof in de zesde eeuw vóór
Christus, kreeg nu de gedachte de overhand dat de profetieën
van Daniël in de tweede eeuw voor Christus waren geschreven
door een ons onbekend gebleven schrijver die zich van de naam.27
van deze Daniël bediende om meer gezag te krijgen. Volgens
deze opvatting gaf deze onbekende auteur in zijn geschrift geen
beeld van de toekomst, maar beschreef hij gebeurtenissen die
in zijn tijd plaatsvonden.
Ook wat het Nieuwe Testament betreft kwamen er revolu-
tionaire theorieën. Eeuwenlang waren er al geleerden geweest
die beweerd hadden dat de evangeliën van Matteüs, Marcus
en Lucas op de een of andere manier met elkaar verwant zijn.
Dit vermoeden groeide nu uit tot een reeks van zeer gedetail-
leerde theorieën, waarbij men meestal stelde dat het Marcus-
evangelie als een van de bronnen diende voor Matteüs en Lu-
cas en dat deze twee laatsten daarnaast nog een gezamenlijke
bron hadden die we niet kennen. Deze bron bevatte een ver-
zameling uitspraken van Jezus en wordt door vakmensen
meestal aangeduid met de letter Q. Een ander punt van dis-
cussie werd o.a. ook het auteurschap van een aantal nieuw-
testamentische boeken. Welke brieven waren werkelijk door
Paulus geschreven? In ieder geval, zo meende de meerderheid
van de deskundigen, niet de brief aan de Hebreeën. En was er
één schrijver die Johannes heette of was de schrijver van het
evangelie met die naam een andere dan de Johannes die ver-
antwoordelijk was voor een aantal korte briefjes, om nog maar
niet te praten over de Johannes die de Openbaring schreef.
In onze eeuw ging men nog een stap verder. Men ging zich
ook afvragen (vooral met betrekking tot de evangeliën) welke
geschiedenis het bijbelse materiaal doormaakte, voordat het
in een aaneengesloten geschrift geordend werd. Men spreekt
in dit verband van ‘vormkritiek’.
Al deze dingen zijn bijzonder fascinerend. We kunnen de
onderzoekers, die hiermee vaak hun leven lang bezig zijn ge-
weest, dankbaar zijn voor het speurwerk dat zoveel nieuwe en
waardevolle inzichten heeft opgeleverd. Wie zonder meer be-
weert dat al deze theorieën klinkklare nonsens zijn, bewijst
daarmee dat hij de zaak niet onbevooroordeeld heeft bestu-
deerd. Maar inmiddels is ook wel duidelijk geworden dat men.28
niet alle ideeën klakkeloos kan aanvaarden. Dat - om maar
een voorbeeld te noemen - de boeken van Mozes een zekere
bewerking kunnen hebben ondergaan, kan niet op voorhand
worden uitgesloten. Het is bijvoorbeeld aannemelijk dat de
vermelding van de dood van Mozes 1 later is toegevoegd, om-
dat een schrijver zijn eigen dood moeilijk als een historisch
feit kan vermelden. Dat de schrijver van deze bijbelgedeelten
gebruik heeft gemaakt van een aantal bestaande bronnen (in
mondelinge of in geschreven vorm) behoeft ook niet te wor-
den uitgesloten. Maar dat het materiaal in deze geschriften
voor een belangrijk deel het stempel draagt van veel latere eeu-
wen is een gevolgtrekking die niet noodzakelijk is.
Dat er verschil in stijl is tussen bepaalde gedeelten die aan
één en dezelfde schrijver worden toegeschreven, behoeft nog
niet te betekenen dat er in zo’n geval sprake moet zijn van
twee schrijvers. Sommige bijbelschrijvers hebben bijvoorbeeld
soms gebruik gemaakt van een secretaris die hun gedachten
onder woorden bracht. Of - om een ander voorbeeld te noe-
men: als het inderdaad juist zou zijn dat de brief aan de Heb-
reeën niet door de apostel Paulus geschreven werd, maakt dat
geen verschil wat betreft de inhoud. Ook mensen die ons on-
bekend gebleven zijn kunnen geïnspireerd zijn geweest!
Het is voor een niet-theoloog niet eenvoudig om alle ver-
schillende gezichtspunten op hun waarde te toetsen. Daarom
is het ook niet zo vruchtbaar om aan deze dingen in dit boek
al te veel plaats in te ruimen. Maar het is wel van belang om
enkele dingen duidelijk te onderstrepen!
De Bijbel is betrouwbaar
Gedeeltelijk als gevolg van de radicale tendenzen in de bijbel-
wetenschap is er bij velen twijfel ontstaan. Is de Bijbel wel
betrouwbaar? Zijn de verhalen die erin staan, echt gebeurd?
Hebben de bijbelse patriarchen echt geleefd? Hebben konin-
gen als Belsassar en Darius de Mediër, die we in het boek Da-.29
niël tegenkomen, ooit geregeerd? Of zijn de meeste bijbelse
verhalen mythen en legenden met hooguit een historische kern?
De bijbelse archeologie van de laatste vijftig jaar heeft ons wel
duidelijk gemaakt dat de bijbelse verhalen op feiten berusten
en niet op literaire vindingrijkheid. Kellers bestseller uit de
jaren zestig ‘De Bijbel heeft toch gelijk’ mag hier en daar wat
onnauwkeurig zijn, maar de titel slaat de spijker op de kop!
Natuurlijk zijn er nog heel wat hiaten in onze kennis, maar er
is zoveel onder de puinhopen van de oude wereld vandaan
gekomen, dat we nu over een overweldigende hoeveelheid
bewijsmateriaal beschikken om te kunnen zeggen dat de Bij-
bel door en door betrouwbaar is. Om zo maar een paar voor-
beelden te noemen: In het Oude Testament wordt regelmatig
melding gemaakt van het volk van de Hethieten. Tot zo’n ze-
ventig à tachtig jaar geleden werd vaak beweerd dat zo’n volk
nooit had bestaan. Alle geschiedkundige bronnen zwegen over
de Hethieten. Totdat de stad Boghazköy in Klein-Azië werd
opgegraven. Dit bleek de hoofdstad van het oude Hethitische
Rijk te zijn. Vandaag de dag zijn de Hethieten een van de vol-
keren uit de oudheid waar we het meest over weten! Een ander
voorbeeld: kleitabletten die in Mari en Nuzu gevonden wer-
den, vertellen ons dat allerlei gewoonten uit de verhalen van
Abraham, Isaak en Jakob, die ons soms wat vreemd voorko-
men, voor honderd procent authentiek zijn en precies passen
in de tijd waarin deze mannen volgens de Bijbel geleefd heb-
ben (ca. 1900 jaar voor Christus). Om nog een voorbeeld uit
de eindeloze rij van ontdekkingen te noemen die in onze eeuw
gedaan zijn: het bijbelse verhaal over koning Hizkia en zijn
problemen met de Assyriërs blijkt nauwgezet overeen te ko-
men met de annalen van de Assyrische koning Sanherib die
nu in het beroemde British Museum in Londen te vinden zijn.
Ook vanuit een andere invalshoek bezien blijkt de Bijbel
ons vertrouwen waard te zijn. In de Bijbel vinden we een groot
aantal voorzeggingen. Honderden van deze profetieën zijn in
de loop van de eeuwen al in vervulling gegaan. Toen de Baby-
lonische koning Nebukadnessar zo’n 600 jaar voor Christus
droomde van een beeld dat uit allerlei verschillende metalen.30
was samengesteld, legde de profeet Daniël deze droom uit. We
vinden die uiteenzetting in Daniël hoofdstuk twee: vijfen-
twintig eeuwen wereldgeschiedenis in vogelvlucht - het relaas
van de opeenvolging van de antieke wereldrijken tot op onze
huidige wereldsituatie van politieke verdeeldheid. De profeet
Ezechiël schilderde het lot van de Fenicische stad Tyrus. 2 Hij
voorspelde de ondergang van deze handelsmetropool, de ver-
woesting door de legers van Nebukadnessar, de heropbouw op
een klein eilandje voor de kust en de aanleg van een dam naar
dit eilandje ten tijde van Alexander de Grote, gemaakt van het
puin van de oude stad, om het Tyrus van zijn dagen te kunnen
bereiken en in te nemen. Nu is niets van Tyrus overgebleven.
Op de plaats waar eens deze machtige stad was, hangen nu
enkele visnetten te drogen. Zo was het woordelijk voorspeld
door de profeet! Micha voorspelde in de zesde eeuw voor
Christus dat Jezus in Betlehem geboren zou worden 3 en Jere-
mia zinspeelde op de wrede kindermoord in Betlehem door
koning Herodes. 4 Daniël voorspelde wanneer Jezus zou ko-
men 5 en eeuwen voor het gebeurde werd al voorzegd dat Jezus
voor dertig zilverstukken aan zijn vijanden zou worden ver-
kocht 6 en dat Hij tussen misdadigers de dood zou vinden. 7
Als ik iemand vraag wat voor weer het morgen zal worden
en deze persoon voorspelt dat het zal gaan regenen, dan zal ik,
als het dan inderdaad regent, waarschijnlijk zeggen: ‘Hij had
toevallig gelijk.’ Als ik die persoon daarna nog eens om een
weersvoorspelling zou vragen en hij zou weer gelijk krijgen,
zou ik waarschijnlijk zeggen: ‘Ook toevallig, hij heeft weer gelijk
gehad.’ Maar als ik iemand vijftig keer naar het weer vraag en
deze persoon slaat vijftig keer de spijker op de kop, dan ben ik
bereid om ervan uit te gaan dat deze man een autoriteit is op
het gebied van de weersvoorspelling en zal ik hem dagelijks
raadplegen. Zo is het ook met de Bijbel. De Bijbel heeft met
zijn profetische voorzeggingen al zo vaak gelijk gekregen, dat
zonder meer valt aan te nemen dat de nog niet vervulde profe-
tieën ook in realiteit zullen worden omgezet. 8 De vervulde
profetieën zijn de garantie voor de betrouwbaarheid van de
gehele Bijbel. Logisch denken leidt tot die conclusie..31
De Bijbel is een eenheid
De Bijbel is een bonte verzameling geschriften. Wij vinden
een afwisseling van historische verhalen, poëzie, brieven, enz.,
geschreven door mensen met uiteenlopende literaire vaardig-
heden. De schrijvers hadden allerlei verschillende beroepen.
Er waren koningen bij, maar ook schaapherders en vissers en
zelfs een kweker van vijgen en een ex-belastingambtenaar. De
eerste schreef in de Hebreeuwse taal omstreeks vijftienhonderd
jaar voor Christus, de laatste in het Grieks, ongeveer honderd
jaar na de geboorte van Christus. En toch - en dat is het won-
derlijke - is er een fundamentele eenheid. De schrijvers vullen
elkaar aan, ze ontwikkelen bepaalde denkbeelden op hun ei-
gen manier, ze leggen de nadruk op hun eigen wijze, maar zijn
het desondanks op alle vitale punten met elkaar eens. Dat
brengt ons automatisch bij het volgende punt.
De vorming van ‘de canon’
Elke poging om zesenzestig geschriften uit meer dan vijf-
tien eeuwen te verzamelen die op alle punten van betekenis
met elkaar overeenstemmen, is tot mislukken gedoemd. En
toch is dat met de Bijbel het geval. Daar moet meer achter
zitten dan alleen menselijke activiteit! Het is zonder meer een
wonder dat er in de loop van de eeuwen zo’n uitgebreide over-
eenstemming groeide over wat wel en niet in de Bijbel moest
worden opgenomen. In de periode voor Christus aanvaard-
den de joden de boeken van Mozes, een aantal profetische
boeken en enkele andere geschriften als het Woord van God.
Dat proces laat zich niet meer precies navorsen. Feit is, dat er
zo’n grote mate van overeenstemming was gegroeid dat de
officiële beslissing tijdens een synode van joodse geleerden in
Jamnia (einde eerste eeuw - begin tweede eeuw) niet veel meer
dan een formele bekrachtiging was van een al voltooid proces.
Wij weten misschien iets meer over de manier waarop de
boeken van het Nieuwe Testament bij elkaar kwamen. Over
een aantal daarvan bestond in de eerste twee eeuwen in som-.32
mige christelijke gemeenten wat twijfel, maar ook wat betreft
het Nieuwe Testament kunnen we vaststellen, dat er vrijwel
meteen een opmerkelijke eensgezindheid bestond over de vraag
welke geschriften er wel en welke geschriften er niet in moes-
ten komen. Als we bij dit proces de goddelijke factor uitscha-
kelen staan we voor een onoplosbaar raadsel. Hoe kwamen
zesenzestig geschriften uit meer dan vijftien eeuwen, die op
alle belangrijke punten met elkaar overeenstemmen, bij elkaar
in één verzameling terecht? Met recht: God weet het!
De eeuwen getrotseerd
Tussen mijn Nederlandse dundrukbijbel en de oude perka-
menten handschriften liggen vele eeuwen. Van geen enkel bij-
belboek bezitten we het oorspronkelijke manuscript. De bij-
belse geschriften zijn steeds weer opnieuw overgeschreven. Men
maakte kopieën van kopieën en vertalingen van vertalingen. Is
het dan niet mogelijk of zelfs waarschijnlijk, dat onze Bijbel
hemelsbreed verschilt van wat de schrijvers in de oudheid aan
hun perkament toevertrouwden? Hoeveel fouten zijn er bij
het overschrijven gemaakt? Hoeveel is verloren gegaan? Of
verdraaid? Die vragen klinken alarmerender dan dat ze zijn.
De oudste handschriften van het Oude Testament die men
tot 1947 bezat dateerden uit de middeleeuwen. In 1947 be-
gon een reeks van opzienbarende ontdekkingen in een aantal
grotten vlak bij de Dode Zee. De boekrollen die te voorschijn
kwamen bleken afkomstig te zijn van een groep joden die in
de eerste eeuw in een kloostergemeenschap in deze omgeving
samenwoonde. Dat betekent dat deze boekrollen zo’n duizend
jaar ouder zijn dan de oudste exemplaren van oudtestamenti-
sche gedeelten waarover men tot op dat moment beschikte.
Nauwkeurige studie door de knapste vakgeleerden toonde aan
dat de tekst van deze stukken uit de Bijbel in de loop van deze
duizend jaar op geen enkel belangrijk punt was veranderd. En
dat is steeds de slotsom wanneer oude handschriften worden
gevonden, ook als het gaat om het Nieuwe Testament..33
In 1859 deed Tischendorff een geweldige ontdekking. In
een oud klooster in het Sinaïgebergte bleek zich een vrijwel
compleet Nieuw Testament uit de vierde eeuw te bevinden.
(Wie een spannend verhaal wil lezen moet zich eens in de avon-
turen van deze Tischendorff verdiepen). Deze oude weergave
van het Nieuwe Testament - nu bekend als de Codex Sinaiticus
- bleek een grandioze aanwijzing voor de nauwkeurigheid waar-
mee de bijbelse geschriften aan latere geslachten werden door-
gegeven.
In tientallen bibliotheken bevinden zich duizenden verschil-
lende handschriften, soms van een klein deel van de Bijbel,
maar vaak ook van bijna het hele Oude of Nieuwe Testament.
Al deze handschriften zijn nauwkeurig bestudeerd en met el-
kaar vergeleken. Ook oude vertalingen in het Syrisch, het
Koptisch, het Latijn en andere talen van de oude wereld heeft
men woord voor woord bestudeerd, omdat deze vertalingen
dikwijls gemaakt zijn in een tijd waaruit we weinig originele
handschriften bezitten.
Door dit minitieuze werk van honderden geleerden - vanaf
Erasmus tot vakmensen in onze tijd - kan met grote zekerheid
worden vastgesteld hoe de oorspronkelijke tekst was en kun-
nen we - afgezien van een aantal nogal onbelangrijke details -
er zeker van zijn dat onze Bijbel precies zegt wat de bijbel-
schrijvers destijds opschreven. Voor heel veel mensen is dat
frappant: dat een boek zo getrouw is doorgegeven van geslacht
op geslacht. Voor wie gelooft dat God via de Bijbel allerlei
dingen wilde bekendmaken, ligt het voor de hand dat Hij er
ook voor heeft gezorgd dat zijn Woord ongeschonden de eeu-
wen zou trotseren.
Dezelfe golflengte
De vier punten die we hebben opgesomd maken het heel
duidelijk: de Bijbel is geen gewoon boek. Het is een boek dat
het stempel draagt van een voortdurend wonder. Het is wat
het pretendeert te zijn: het Woord van God..34
Hoe komt het dan dat zoveel mensen dat niet doorhebben?
Er zijn mensen die graag toegeven dat de Bijbel een heel inte-
ressant boek is, dat de moeite van het lezen meer dan waard is.
De taal van verschillende volken is niet weinig door de Bijbel
beïnvloed. Ook heel wat Nederlandse spreekwoorden en ge-
zegden gaan terug op de Nederlandse vertaling van de Bijbel
die men in de eerste helft van de zeventiende eeuw maakte.
Velen zijn daarom best bereid toe te geven dat de Bijbel een
heel belangrijke rol gespeeld heeft in de westerse cultuur en
dat iedereen er daarom goed aan zou doen om in elk geval
eens enkele gedeelten van de Bijbel te lezen. Maar daar blijft
het dan ook bij. Verder doet de Bijbel hun niets. Is het niet
vreemd dat sommige mensen onberoerd blijven, terwijl an-
dere mensen zich onmiskenbaar door God aangesproken we-
ten als ze de Bijbel lezen? Het antwoord op die vraag is eigen-
lijk heel eenvoudig: De Bijbel is door God ‘ingegeven’ (geïn-
spireerd). Dat wil zeggen dat de schrijvers op de een of andere
manier door God, of zoals men meestal zegt, door de heilige
Geest werden geholpen om de boodschap op de juiste manier
op schrift te stellen. Om die boodschap te kunnen opvangen
moet de lezer op dezelfde golflengte zitten. Hij moet met een
bepaalde instelling lezen, met een duidelijke verwachting dat
de woorden die hij leest zullen worden tot woorden van God.
Diezelfde macht die bemiddelde bij het opschrijven van de
boodschap, moet er ook aan te pas komen als men de bood-
schap wil verstaan. Wie leest zonder de hulp van boven mist
het goddelijke woord. Niet voor niets lezen we herhaaldelijk
in de Bijbel dat gebed en bijbellezen samen moeten gaan. We
komen daarop in hoofdstuk zeven nog wel terug.
Welke vertaling?
Dit hoofdstuk kunnen we natuurlijk niet afsluiten zonder
nog een paar praktische punten onder de loep te nemen. In de
eerste plaats de vraag welke vertaling van de Bijbel men het
beste kan lezen? Er zijn nogal wat verschillende vertalingen in
de Nederlandse taal. De bekendste zijn: a) de Statenvertaling,.35
die op initiatief van de Dordtse Synode in 1637 klaar kwam;
b) de Nieuwe Vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap,
waarvan het Nieuwe Testament gereed kwam in 1939 en het
Oude Testament in 1951; c) de Petrus Canisius Vertaling, die
van rooms-katholieke zijde werd gemaakt; d) ‘Groot Nieuws
voor U’ - een vertaling in hedendaags Nederlands; e) ‘Het Boek’
- een nog recentere vertaling, die heel plezierig leest. Daar-
naast zijn er veel andere die minder bekend zijn, zoals b.v. de
vertaling van de hoogleraren Obbink en Brouwer, de Leidse
Vertaling, de Willibrord Vertaling, enz.
Ver talen is een moeilijk werk. Sommige begrippen kunnen
door middel van verschillende synoniemen vertaald worden.
Men kan heel letterlijk vertalen of tamelijk vrij. Men kan aan-
sluiten bij het traditionele taalgebruik of proberen de taal van
de gewone man van dit moment te gebruiken, enz. Het kan
helemaal geen kwaad om verschillende vertalingen naast el-
kaar te gebruiken. De ene vertaling kan een bepaalde nuance
tot uitdrukking brengen die men in een andere vertaling mist
en de ene vertaling is soms ook gemakkelijker te begrijpen dan
de andere.
Geen vertaling is helemaal perfect. Maar alle Nederlandse
vertalingen zijn zeker in grote lijnen verantwoord en bruik-
baar. Zonder voorbehoud kan worden gesteld dat vooral de
Nieuwe Vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap bij-
zonder betrouwbaar en aanbevelenswaardig is. Er zijn nogal
wat controverses over vertalingen in hedendaags Nederlands,
zoals bijvoorbeeld de bekende uitgave ‘Groot Nieuws voor U’
die door het Nederlands Bijbelgenootschap en de Katholieke
Bijbelstichting werd uitgebracht en ‘Het Boek’. Sommigen zijn
er niet gelukkig mee dat men hierin de gewone taal van alle-
dag gebruikt in plaats van plechtige woorden. Dat is begrijpe-
lijk, maar het gebruik van ‘gewone’ taal behoeft niemand te
verontrusten. De vertaling die men in de zeventiende eeuw
maakte klinkt ons nu erg plechtsstatig in de oren. Vooral veel
ouderen zijn eraan gewend en aan gehecht geraakt, maar toen
de vertaling werd gemaakt was dat de taal van alledag en had.36
die helemaal niets plechtigs! Trouwens, toen de schrijvers van
de Bijbel hun boodschap opschreven, gebeurde dat ook met
heel gewone alledaagse woorden. Het is dus helemaal in de
geest van de Bijbel om in elke tijd de Bijbel weer opnieuwe te
vertalen in gewone, begrijpelijke woorden! Daarom kan het
verschijnen van vertalingen in alledaags Nederlands worden
toegejuicht. Wel moet hieraan worden toegevoegd dat deze
vertaling soms wat vrijheden bevat en dat zeker de gevorderde
bijbellezer er goed aan doet om de Nieuwe Vertaling niet on-
gebruikt te laten.
Waarmee kan men het beste beginnen?
Sommige delen van de Bijbel zijn moeilijker dan andere
stukken. Het komt soms voor dat iemand wil beginnen met
bijbellezen, maar toevallig met een nogal moeilijk stuk begint
en daar dan meteen op afknapt. Het beste kan men beginnen
met de verhalen over het leven van Jezus - de evangeliën - en
de Handelingen der Apostelen. Daarna kan men de verhalen
kiezen uit Genesis, Exodus en andere historische gedeelten uit
het Oude Testament. Op die manier komt men er langzaam
in en zal men minder moeite hebben met de wat moeilijker
gedeelten. Hebt u nog nooit een Bijbel in handen gehad? En
lijken soms zelfs de evangeliën nog moeilijk? Koop of leen dan
een goede kinderbijbel en begin daarmee. U hoeft zich daar-
voor echt niet te schamen!
Hoe en wanneer?
Elk uur van de dag is een goed uur om in de Bijbel te lezen.
Maar het is verstandig om een bepaalde regelmaat aan te hou-
den. We komen immers allemaal altijd tijd te kort. Als we het
bijbellezen laten wachten totdat we er tijd voor hebben, zal
het er meestal bij inschieten. Een vast tijdstip is verreweg het
beste. Welk tijdstip men kiest kan van allerlei factoren afhan-
gen. Men kan de dag beginnen met bijbellezen, voordat men.37
iets anders doet. In veel gezinnen heeft men de gewoonte om
na elke maaltijd of na de hoofdmaaltijd aan tafel een stukje uit
de Bijbel te lezen. Anderen lezen ‘s avonds voor ze gaan slapen
een stukje. Het maakt niet uit welk uur men kiest, maar de
praktijk leert dat het wel verstandig is om een vaste gewoonte
aan te kweken.
Hulpmiddelen
Hoe moet men lezen? Er is een aantal manieren (‘systemen’
als u wilt), om de Bijbel te lezen. U kunt bepaalde bijbelboe-
ken hoofdstuk voor hoofdstuk doorlezen. U kunt een bijbel-
rooster gebruiken en dat volgen. Voor gevorderde lezers zijn er
ook andere mogelijkheden. Zo kan men bijvoorbeeld beslui-
ten om een bepaald onderwerp te kiezen en dan alles te lezen
wat de Bijbel op diverse plaatsen over dat onderwerp vermeldt.
Wie dat doet gaat van bijbellezen over tot bijbelstudie - een
bijzonder boeiend avontuur dat steeds weer tot nieuwe ont-
dekkingen leidt. Een aantal hulpmiddelen zijn daarbij aan te
bevelen.
Zo valt met name te denken aan een goede concordantie -
een boek waarin alle namen en begrippen in alfabetische volg-
orde staan vermeld die in de Bijbel voorkomen met daarbij
alle plaatsen waar men ze vinden kan. Een bijbelse atlas is ook
heel nuttig om na te gaan waar allerlei gebeurtenissen zich
precies hebben afgespeeld om een beter begrip te krijgen van
o.a. de afstanden in de bijbelse landen. Ook een goed bijbels
woordenboek en een bijbelse encyclopedie kunnen helpen om
meer achtergrondinformatie te krijgen over wat men leest,
hoewel een kritische instelling hierbij wel gewenst is, omdat
sommige schrijvers in hun interpretatie van bepaalde bijbelse
gegevens soms wat van de bijbelse lijn afdwalen. Maar er zijn
goede werken waarbij dat niet of nauwelijks het geval is.
Hoeveel goede boeken er echter ook over de Bijbel mogen
zijn, lezen over de Bijbel mag nooit de plaats gaan innemen
van het lezen van de Bijbel..38
Oppassen
In dit verband is het wel goed om een duidelijke waarschu-
wing te geven. Men moet bijbelgedeelten altijd lezen in het
verband waarin ze staan en niet her en der zinnen en woorden
uit hun verband plukken om die daarna op willekeurige wijze
aan elkaar te rijgen. Aan het einde van het verhaal over Judas’
verraad van Jezus staat: ‘Judas ging heen en verhing zich.’ 9 Tij-
dens één van zijn redevoeringen zei Jezus op een gegeven ogen-
blik: ‘Ga heen, doe gij evenzo.’ 10 Niemand zal zo dwaas zijn
om deze twee zinnen uit hun verband te halen en aan elkaar te
plakken tot een algemene aansporing om zonder uitstel zelf-
moord te plegen. Toch worden bijbelse uitspraken heel vaak
op deze manier gebruikt. Er zijn mensen die in deze vorm van
‘bijbeluitleg’ grote vaardigheid bezitten, waarmee ze vooral de
beginnende bijbellezer gemakkelijk kunnen overdonderen. Ga
dus nooit op losse zinnen af, maar vraag u af wat er aan een zin
vooraf gaat, wat erop volgt, wanneer en hoe de bepaalde ge-
beurtenis zich afspeelde, aan wiens adres een geciteerde uit-
spraak gericht werd, enz. Alleen als u zo te werk gaat, blijft u
voor vergissingen behoed.
Een ander advies is: Als u onderzoekt wat de Bijbel over een
onderwerp zegt, probeer dan alles over dat onderwerp te be-
studeren. En als u dan op een moeilijke tekst stuit, moet u
zich daarop niet blindstaren, maar deze proberen te begrijpen
in het licht van een veel groter aantal gemakkelijk te begrijpen
teksten.
Een levenslang avontuur
Misschien heb ik daarmee al te veel aandacht gevestigd op
de obstakels die zich bij het bijbellezen kunnen voordoen, want
sommige lezers zullen nu misschien terugschrikken van hun
plan om met bijbellezen te gaan beginnen, nu blijkt dat er
heel wat voor komt kijken voor men de Bijbel op de juiste
manier kan begrijpen. Inderdaad is het waar dat het soms even.39
moeite kost om de Bijbel van kaft tot kaft te lezen en te begrij-
pen, als men niet als bijbellezer is opgegroeid. Maar daar staat
een onbetwistbaar feit tegenover: De Bijbel is een boek dat
gelezen kan worden (en wordt) door mensen met de meest
uiteenlopende achtergronden en ontwikkelingsniveaus. De
ongeschoolde arbeider kan de Bijbel met evenveel profijt le-
zen als een hooggeleerde professor. En beiden kunnen de Bij-
bel hun hele leven lang lezen en hérlezen en bestuderen en
steeds weer nieuwe ontdekkingen doen. Er is geen ander boek
waarbij dat in dezelfde mate het geval is. Een argument te meer:
De Bijbel is het geïnspireerde Woord van God.
1. Deuteronomium 34
2. Ezechiël 26:1-13
3. Micha 5:1
4. Jeremia 31:15
5. In Daniël 9:24-27 staat de bekende profetie van de 70 jaarweken. Er
zijn goede argumenten om hierin een symbolische beschrijving te zien
van een periode van 70 x 7 jaar = 490 jaar. Wanneer men, afgaande op
vers 25, deze periode laat beginnen in 457 voor Christus, omdat toen
door koning Artaxerxes het bevel werd uitgevaardigd dat in deze tekst
vermeld wordt, komt men terecht aan het begin van onze jaartelling.
6. Zacharias 11:12,13
7. Jesaja 53:9
8. Hierbij moet men natuurlijk wel bedenken dat er ook voorwaardelijke
profetieën zijn. Deze worden uiteraard niet vervuld als niet aan de voor-
waarde voor vervulling wordt voldaan.
9. Matteüs 27:5
10. Lucas 10:37.40
JEZUS . . . DAAR GAAT GOD!
De titel van het hoofdstuk is gestolen. De vertaler van het
boek van Jörg Zink had de briljante inval om de Nederlandse
uitgave van diens boek ‘Erfahrung mit Gott’ zo te noemen. 1
Het vat in een paar woorden samen wat de christenheid door
de eeuwen heen heeft geloofd: Jezus Christus, de man die zijn
naam aan het christendom heeft gegeven, was geen mens zoals
wij, maar was (en is) onze vleesgeworden God.
Wat de christenen van Hem zeggen
Het heeft wel een aantal eeuwen geduurd voordat er in de
christelijke kerk enige mate van overeenstemming kwam over
de vraag hoe men de persoon van Jezus Christus nu precies
moest definiëren. Het heeft jarenlange concilievergaderingen
gekost om tot de leeruitspraken te komen die tot op de dag
van vandaag het denken van de kerken en de christenen over
Jezus in hoofdzaak hebben bepaald. 2 Tijdens deze concilies
bereikte men de conclusie dat Jezus in dezelfde mate God is
als God de Vader (één met Hem in wezen), maar dat Hij tege-
lijk ook helemaal mens was. In zijn persoon moest men twee
naturen onderscheiden, de goddelijke en de menselijke.
Eigenlijk kan je achteraf alleen maar zeggen, dat het nooit
helemaal gelukt is om af te bakenen wie en wat Jezus Christus
nu precies was en is. We stuiten op een zelfde probleem als in
de twee vorige hoofdstukken: ons menselijk kennen en weten
heeft beperkingen. En dat geldt zeker als we het over Jezus
hebben. Als het waar is dat Jezus gelijktijdig helemaal God en
helemaal mens is, dan word je teruggeworpen op je geloof..41
Menselijke logica kan dat niet vatten. Er is spanning tussen
het God-zijn van Jezus en zijn mens-zijn die niet valt weg te
redeneren. Die spanning moet je in het geloof laten bestaan.
Maar vaak heeft men de verleiding niet kunnen weerstaan om
een exacte verklaring te vinden voor het hoe en waarom van
de ‘twee naturen’. Dat pakte echter altijd verkeerd uit. Of men
benadrukte zozeer de goddelijkheid van Jezus, dat zijn mens-
zijn werd tot een net-doen-alsof. Of men gaf zoveel aandacht
aan zijn volledige mens-zijn, dat zijn goddelijkheid er in feite
bij inschoot.
De Jezus van de Bijbel
Laten we de theologische vaktaal van de concilies maar la-
ten voor wat die is en ons afvragen hoe het Nieuwe Testament
Jezus van Nazaret aan ons voorstelt. Dat Hij geleefd heeft kan
geen enkele geschiedkundige op serieuze gronden betwisten. 3
Maar veel meer dan vaststellen dat er inderdaad een Jezus is
geweest, kan de gewone geschiedenis niet doen. Voor details
over het leven van Jezus zijn we aangewezen op de geschriften
van het Nieuwe Testament. Om alle misverstanden te vermij-
den: De Bijbel biedt geen uitgewerkte biografie van Jezus. Er
zijn vier verschillende verhalen - vier evangeliën - die veel over-
eenkomsten vertonen, maar ook elk hun eigen materiaal aan-
dragen. En hoewel er in grote lijnen een reconstructie valt te
maken van de volgorde waarin allerlei gebeurtenissen zich heb-
ben afgespeeld, zijn er toch ook op dat punt nog heel wat
onzekerheden. Zelfs de duur van Jezus’ actieve loopbaan kan
alleen bepaald worden aan de hand van enkele terloopse op-
merkingen over een aantal jaarlijkse paasfeesten die Jezus in
Jeruzalem heeft bezocht. 4
Jezus werd geboren in de stad Betlehem, naar alle waar-
schijnlijkheid rond het jaar 4 vóór Christus. Dat klinkt wat
merkwaardig, maar is het gevolg van het feit dat men zich in
de middeleeuwen bij het berekenen van het geboortejaar van
Jezus een paar jaar vergiste. In het evangelie van Matteüs wordt.42
ons verteld: ‘De geboorte van Jezus Christus geschiedde aldus.
Te rwijl Maria ondertrouwd was met Jozef, bleek zij, voordat
zij gingen samenwonen, zwanger te zijn uit de heilige Geest’. 5
Op basis van dit bijbelwoord hebben christenen in hun ge-
loofsbelijdenis gesteld dat Jezus ‘ontvangen’ werd van de hei-
lige Geest en ‘geboren werd uit de maagd Maria’. De zwanger-
schap van Maria was dus niet het gevolg van een natuurlijke
geslachtsgemeenschap, maar had te maken met een directe
goddelijke ingreep.
In onze tijd wordt tegen een dergelijke opvatting door ve-
len protest aangetekend. Zoiets kan je in onze moderne tijd
toch niet meer geloven: Hier is sprake van mythe en niet van
iets dat werkelijk gebeurd is! Maar daar kan een simpele, maar
wel heel indringende vraag tegenover gesteld worden: Als er
geen maagdelijke geboorte is geweest, waarom zou men die
dan hebben willen uitvinden? Waarom zou Matteüs op het
moment dat hij zijn evangelie samenstelde een zo ongeloof-
waardig iets als een maagdelijke geboorte hebben opgenomen
in zijn verhaal, als hij geen goede redenen had om aan te ne-
men dat deze inderdaad had plaatsgevonden? Matteüs en an-
dere bijbelschrijvers proberen er geen verklaring voor te geven
hoe de maagdelijke geboorte heeft kunnen plaatsvinden. Ze
zijn er tevreden mee te verklaren dat de komst van Jezus
Christus naar deze aarde via een uniek proces verliep en aan-
vaarden dat als een wonder waarin zij geloven. En is het eigen-
lijk niet te verwachten dat er iets unieks en volstrekt
onvergelijkbaars gebeurt als de Zoon van God naar deze aarde
komt om in de gedaante van een mens hier zo’n 33 jaar te
vertoeven?
Over de eerste periode van Jezus’ leven op aarde zwijgen de
evangeliën bijna geheel. We horen iets over de vlucht naar
Egypte als gevolg van de vijandige houding van koning He-
rodes, 6 en vinden een kort fragment over een gebeurtenis die
zich afspeelde toen Jezus twaalf jaar oud was en voor het eerst
meemocht naar Jeruzalem. 7 Daarna valt een grote stilte, tot-
dat we Hem aantreffen aan de oever van de Jordaan, luiste-.43
rend naar de indringende prediking van zijn neef Johannes,
bijgenaamd ‘de Doper’. Die bijnaam had deze Johannes ge-
kregen, omdat hij mensen opriep om zich te bekeren en dege-
nen die aan die oproep gehoor gaven door onderdompeling in
de rivier de Jordaan doopte. Johannes ‘de Doper’ was de eerste
die Jezus in het openbaar erkende als de Messias, de beloofde
Redder en Bevrijder waarnaar generaties joden hadden uitge-
zien. En tot verbazing van Johannes, de omstanders en miljoe-
nen mensen van toen en nu, begon Jezus zijn publieke loop-
baan door zich - als mens temidden van mensen - door Johan-
nes te laten dopen. 8
Wat er daarna gebeurt kunnen we niet allemaal beschrij-
ven. Wie dat wil weten moet er de evangeliën maar op nale-
zen. Jezus begint het land door te trekken. Hij roept discipe-
len. Hij trekt rond zonder vaste woon- en verblijfplaats. Hij
doet wonderen, vooral genezingswonderen en natuur-
wonderen. Enkele malen roept Hij zelfs dode mensen terug in
het leven. Hij brengt zijn boodschap. Hij vertelt van een ko-
ninkrijk waarvan iedereen burger kan zijn. Hij predikt de liefde.
Hij roept op tot een radicale levenshouding, tot zelfverlooche-
ning, tot een niet te stuiten vergevensgezindheid en een totale
liefde. Hij vraagt de tweede mijl te gaan en de andere wang toe
te keren nadat men geslagen is. Hij verkondigt zijn naderende,
gewelddadige dood die niet het einde zal betekenen, maar juist
het begin. Hij gaat naar de joden, maar sluit Samaritanen en
anderen niet uit. Hij durft het op te nemen tegen de geeste-
lijke hoogwaardigheidsbekleders en heeft er geen bezwaar te-
gen om te gaan met tollenaars - collaborateurs van de bezet-
tende macht - en zondaars.
Jezus is onvergelijkbaar. Toch is Hij een mens zoals wij. Hij
wordt ‘door de duivel verzocht’ 9 , wat Hem duidelijk tekent als
mens, want God kan immers niet worden verzocht. 10 Jezus
kent emoties. Hij kan blij zijn en verdriet hebben. 11 Hij kan
Zich eenzaam voelen en van God en mensen verlaten. 12 Hij
heeft honger en dorst. 13 Zijn kennis is beperkt. 14 Zijn moge-
lijkheden eveneens. Hij kan niets als ‘zijn hemelse Vader’ Hem.44
er de kracht niet voor geeft. 15 Als Jezus het over Zichzelf heeft,
gebruikt Hij heel vaak de term ‘Zoon des mensen’ om daar-
mee zijn verbondenheid met het mensdom aan te geven. 16 De
apostel Paulus noemt Hem ‘de mens Christus Jezus’. 17 In de
onovertroffen klassieke beschrijving van de menswording van
Jezus door diezelfde apostel in zijn brief aan de Filippenzen,
geeft hij aan hoe Jezus Zich vernederd heeft. 18 Hij was God
(‘in de gestalte Gods zijnde’), maar heeft ‘Zich ontledigd’. Hij
heeft het ‘Gode gelijk zijn’ niet als roof geacht. Het Griekse
woord dat in dit verband gebruikt wordt laat zich het beste
vertalen met ‘koste wat het kost ergens aan vast blijven hou-
den’. Dus: Hij heeft het niet nodig gevonden om koste wat het
kost vast te blijven houden aan zijn goddelijke status, maar
Hij was bereid mens te worden (de ‘gestalte van een dienst-
knecht’ aan te nemen) en daarbij de uiterste consequentie, de
dood, niet uit de weg te gaan.
Tal van bijbelse uitspraken bevestigen het: Jezus is mens
geworden, mens zoals wij - volledig mens; voor de volle hon-
derd procent heeft Hij Zich met ons geïdentificeerd. Maar
daar staan talloze andere uitspraken tegenover. Johannes be-
gint zijn evangelie met de woorden: ‘In den beginne was het
Woord (= Jezus) en het Woord was bij God en het Woord was
God.’ 19 Dezelfde Paulus die Jezus aanduidt als mens, noemt
Hem ook ‘onze grote God en Heiland’. 20 Johannes noemt Hem
‘Koning der koningen en Here der heren,’ 21 en de ‘alpha en de
omega’ 22 - het begin en het einde. Zelf zegt Jezus zonder blik-
ken of blozen: ‘Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien’ 23
en: ‘Ik en de Vader zijn één.’ 24
Dat is de spanning waarover ik het even eerder had, de on-
verzoenlijke paradox, het onvergelijkbare. Ons verstand kan
het niet vatten: Jezus is tegelijkertijd God en mens. Op dit
punt moeten we de geloofssprong wagen. Hier ligt de kern
van de christelijke geloofsvisie: Jezus als mens kan ons begrij-
pen, kan onze ‘grote broer’ zijn. Jezus als God kan ons redden,
ons het eeuwige leven geven, omdat Hij daar als God over kan
beschikken..45
De mislukking
Ogenschijnlijk was Jezus’ werk een mislukking. De geeste-
lijke autoriteiten zagen in Hem een groot gevaar: Hij onder-
mijnde hun gezag. De burgerlijke autoriteiten vertrouwden
Hem niet. Het volk verwachtte van Hem iets anders dan Hij
gaf. Zij wilden bevrijding van de Romeinen. Zij zagen uit naar
een politieke Messias en niet naar een Vredevorst die opriep
tot een andere manier van leven, waarbij zij een totale inner-
lijke ommekeer moesten meemaken.
Jezus was op bepaalde momenten populair, vooral als Hij
indrukwekkende toespraken hield en opzienbarende wonde-
ren verrichtte. 25 Maar uiteindelijk was ook de grote massa be-
reid om, opgehitst door de geestelijkheid, op het kritieke mo-
ment een massaal spreekkoor aan te heffen: ‘Kruisig Hem,
kruisig Hem’. 26 Wat een afgang: de ‘grondvester’ van het nieuwe
koninkrijk hangt aan een kruis tussen twee misdadigers na
een etmaal van de meest mensonterende vernederingen! Hij
hangt daar alleen. Zijn vrienden hebben Hem in de steek gela-
ten. De droom is uit.
Maar dat is nu de blijde boodschap die christenen te bren-
gen hebben: het leek op een mislukking, maar het was geen
mislukking. Want de dood van Jezus was niet alleen maar een
rechterlijke dwaling of het gevolg van de moordlust van ver-
dwaasde en in hun eer aangetaste mensen. Jezus’ dood had een
heel andere dimensie. Jezus stierf. Maar Hij stierf om een to-
taal andere reden als waarom wij sterven. Onze dood heeft te
maken met onze zondigheid. Wij schieten tekort. Wij sterven,
omdat het loon van de zonde de dood is. 27 Maar van Jezus
staat vast dat Hij nooit iets verkeerds heeft gedaan. 28 Hij had
kunnen zondigen (Hij was immers mens), maar Hij leefde
helemaal zonder zonde. En daarom had Hij niet behoeven te
sterven, als Hij dat zelf niet had gewild. Uit eigen vrije wil, op
eigen initiatief, heeft Hij de weg van de dood gekozen. 29 Hij
stierf in onze plaats. De straf die wij verdienen - de eeuwige
dood - kwam op Hem..46
Waarom?
Waarom iemand in onze plaats moest sterven blijft voor
veel mensen een vraag. Het stuit zelfs heel velen tegen de borst:
men vindt het een onverteerbaar idee dat er zoiets als een ‘plaats-
vervangend en verzoenend sterven’ zou zijn. Dat past niet bij
het moderne levensgevoel, waarbij men de verantwoording wil
dragen voor zijn eigen daden. Maar of we het een onverteer-
baar idee vinden of niet, we hebben te maken met een paar
keiharde gegevens. In het begin van de Bijbel wordt verteld
dat de mens op deze aarde met een schone lei begon. De mens
had de mogelijkheid eeuwig te leven, maar op voorwaarde dat
hij zich zou houden aan wat hem van Godswege werd voorge-
houden. Aan die voorwaarde heeft de mens zich niet gehou-
den. En daarmee was een breuk tussen God en de mens vol-
trokken en had de mens de eerste stap gezet op weg naar de
dood. Nu zag God Zich voor een dilemma geplaatst: Hij moest
als een rechtvaardig God straffen, maar wilde toch ook, omdat
Hij nu eenmaal liefde is, dat de mens gered zou worden. De
straf die aan ons voltrokken had moeten worden - de defini-
tieve ondergang - werd door Jezus aan het kruis ondergaan.
Laat ik er direct aan toevoegen dat een dergelijke samenvat-
ting van wat gewoonlijk het ‘verlossingsplan’ genoemd wordt,
geen recht doet aan wat God in zijn Zoon voor ons onderno-
men heeft. Men kan er ook allerlei bedenkingen tegen heb-
ben, dat zo als het ware twee eigenschappen van God - zijn
rechtvaardigheid en zijn liefde - als strijdig tegenover elkaar
worden gesteld. Misschien doen we er beter aan om maar ge-
woon vast te stellen dat de breuk tussen God en ons kennelijk
op geen andere wijze kon worden hersteld dan door wat nu
bijna tweeduizend jaar geleden even buiten Jeruzalem gebeurde.
Een aanschouwelijke les
Het was zeker ook voor de mensen die vòòr Jezus’ tijd leef-
den heel moeilijk om te begrijpen hoe het probleem van de
zonde en de dood door God zou worden opgelost. Vanaf het.47
moment dat de mens zonde kende, leerde hij ook offeren. 30
Dat offeren was een zichtbare en tastbare erkenning van de
noodzaak van een verzoening. Er moest iets sterven, wilde de
mens kunnen leven.
Toen de nakomelingen van Jakob geworden waren tot het
volk Israël kregen zij via de profeet Mozes een tamelijk uitge-
breid systeem van offerdiensten. 31 Er kwam een heiligdom (de
tabernakel) met kostbaar meubilair. Een grote groep mensen
werd aangewezen om dienst te doen in deze tabernakel. Een
dagelijkse dienst werd nauwkeurig omschreven en ook een jaar-
lijkse climax in de heiligdomsdienst, de Grote Verzoendag - de
Jom Kippur. Er werd precies bepaald wat voor offers bij be-
paalde gelegenheden en in specifieke omstandigheden moes-
ten worden gebracht. De kern van de zaak was wel dat hier-
mee aan de joden een duidelijke les werd geleerd. Zonde te-
genover God was geen zaak waar je zomaar aan voorbij kon
gaan. Als iemand gezondigd had, dan moest die zonde uit de
wereld worden geholpen. Dan moest de zondaar zijn schuld
gaan belijden en een offerdier brengen dat gedood werd.
Waarom? Elk offerdier was een symbool van Hem wiens bloed
eenmaal zou vloeien. Het hele systeem van de joodse offer-
dienst moest dat duidelijk maken: er komt een Middelaar, wiens
bloed zal vloeien als het uiteindelijke antwoord op het pro-
bleem van zonde en schuld.
Of alle Israëlieten dat altijd precies hebben begrepen is niet
waarschijnlijk. Maar dat doet niets af van het feit, dat het joodse
heiligdomssysteem een magistrale les was, die op ondubbel-
zinnige wijze duidelijk maakte dat zonde een ernstige zaak is,
zo ernstig dat er bloed voor moest vloeien, uiteindelijk zelfs
het bloed van de mensgeworden Zoon van God.
De vijand overwonnen
Het leek alsof Jezus’ leven eindigde in een mislukking. Maar
de feiten zijn anders. Een paar maanden na zijn dood zijn er
op één enkele dag duizenden mensen die zich aansluiten bij.48
de Jezus-beweging. 32 Nauwelijks tien jaar later zijn er gemeen-
schappen van mensen die in Jezus geloven in Palestina, maar
ook ver daarbuiten. In de eerste eeuw bereikt het verhaal van
Jezus de mensen in alle uithoeken van de toenmaals bekende
wereld. 33 Hoe valt dat te verklaren? De verklaring is dat de
volgelingen van Jezus niet alleen maar vertelden dat hun Mees-
ter was gestorven, maar ook vertelden dat Hij op de derde dag
na zijn kruisdood weer was opgestaan uit de dood.
De moderne mens voelt zich wat ongemakkelijk als hij hoort
over de opstanding. Er zijn dan ook heel wat pogingen gedaan
om het wonder van de opstanding weg te verklaren. Men heeft
zelfs betoogd dat het helemaal niet nodig is in de opstanding
te geloven. Zonder opstanding kan de boodschap van Jezus
zijn betekenis ook wel behouden, zeggen sommigen.
Wat moeten we daarop antwoorden? We kunnen niet an-
ders dan toegeven dat de opstanding van Jezus geen historisch
aantoonbaar feit is. Naast de Bijbel zijn er geen geschiedkun-
dige bronnen die er melding van maken. De opstanding is een
punt van geloof. Maar het is een vitaal punt. Ik ben bereid om
mensen te respecteren die zeggen dat zij niet geloven dat er
een opstanding heeft plaats gehad. Ik ben ook bereid om aan
te nemen dat diegenen die zeggen dat de boodschap van Jezus
toch zijn waarde blijft behouden, ook al zou Jezus niet zijn
opgestaan, oprecht zijn. Maar ik zou mezelf geen christen meer
kunnen noemen als voor mij de opstanding van Jezus zou
wegvallen. Het feit dat Jezus uit de dood opstond is immers
het bewijs dat Hij was voor wie Hij Zich uitgaf. Zijn opstan-
ding is de garantie dat de tirannie van de dood doorbroken
kan worden, ja, doorbroken is. Zijn opstanding is waarborg
voor mijn opstanding uit de dood. Als er geen opstanding was
voor Hem, dan is die er ook niet voor mij. Als Hij gestorven is
zonder te zijn opgestaan, dan is Hij misschien een groot voor-
beeld, een inspirerende historische figuur, maar niet de ‘Red-
der’ en de ‘Verlosser’ die ik nodig heb om uit het web van
zonde en dood te geraken. De apostel Paulus zei dan ook heel
terecht dat wij zeer beklagenswaardige mensen zijn als Christus
niet zou zijn opgestaan. 34.49
De opstanding van Jezus heeft plaatsgevonden. Tot die con-
clusie moet men toch wel komen, als men ziet dat de leerlin-
gen van Jezus, die bij zijn kruisdood totaal ontredderd vanaf
een afstand stonden toe te kijken, korte tijd later vurige pio-
niers blijken te zijn van de nieuwe Jezus-beweging. Welke ge-
beurtenis heeft plaats gevonden die deze totale ommekeer kon
bewerkstelligen? Hoe kan verklaard worden dat een van de
zonen van Jozef en Maria (een ‘halfbroer’ van Jezus) tijdens
Jezus’ leven weigert in Hem te geloven, maar later de voorzit-
ter is van de kerk in Jeruzalem? 35 Welke opzienbarende ge-
beurtenis heeft hem ertoe gebracht in Jezus te gaan geloven en
zich helemaal voor de zaak van Jezus te gaan inzetten?
Voor ons valt nog moeilijk na te gaan wat zich precies in en
om Jeruzalem heeft afgespeeld tijdens dat turbulente joodse
paasfeest. Maar de mensen die toen in die streek woonden
konden zich wél vergewissen van wat er had plaatstgehad.
Duizenden mensen waren bereid in de opgestane Jezus te gaan
geloven. Het valt niet aan te nemen dat men in die tijd, zo
kort na die gebeurtenissen, zoveel mensen kon wijsmaken dat
Jezus was opgestaan, als men geen goede redenen had gehad
om mensen in de waarheid van die boodschap te doen gelo-
ven. En voeg daaraan nog een ander punt toe. Waarom zou-
den de evangelieschrijvers een opstanding hebben vermeld en
een verhaal over een leeg graf hebben neergeschreven, als dat
niet waar was geweest? Een zo ongehoord feit zou immers al-
leen maar weerstand oproepen en ongelovig schouderophalen
veroorzaken. De verhalen van de opstanding zijn aan ons door-
gegeven, omdat de schrijvers niet om het feit van de opstanding
heen konden. Ze schreven over wat zij gezien en gehoord had-
den. 36
Een taak hierboven
Jezus bleef na zijn opstanding nog veertig dagen op aarde.
Toen steeg Hij voor de verbaasde ogen van zijn leerlingen op
naar de hemel. Zijn werk was voltooid. Of toch nog niet hele-.50
maal? De schrijver van de brief aan de Hebreeën noemt Jezus
onze hemelse ‘hogepriester’, die dienst doet in een tabernakel
die niet met handen is gemaakt, maar die zich bevindt in de
hemel. 37 Opnieuw moeten we de waarschuwing laten horen:
we hebben hier te maken met dingen die zo hoog boven ons
uitgaan, dat menselijke gedachten en uitdrukkingsmogelijk-
heden tekort schieten. Aan de andere kant hebben we toch
houvast: de auteur van deze brief aan de Hebreeën zegt name-
lijk dat dit hemels heiligdom niet losstaat van het aardse dat
eens door Mozes werd opgericht. Het aardse was gemaakt naar
het model van het hemelse dat Mozes in visioen had aan-
schouwd. Het aardse was een ‘afbeelding’ en een ‘schaduw’
van het hemelse.
Als er sprake is van een hemels heiligdom en van een he-
melse hogepriester, dan doen we er het beste aan om eerst maar
eens te rade te gaan bij het Oude Testament en daar te bezien
wat een hogepriester was en deed.
De hogepriester was in de joodse heiligdomsdienst de priester
bij uitstek. Alle gewone priesters waren alleen maar zijn assis-
tenten. Hij fungeerde als de middelaar tussen de zondige men-
sen en de almachtige en volmaakte God. Zijn bijzondere taak
bestond erin om eenmaal per jaar de ceremoniën tijdens de
Grote Verzoendag te leiden. 38 Heel schetsmatig kan de beteke-
nis van de Grote Verzoendag zo worden weergegeven: elke dag
van het jaar kwamen zondaren hun zonden belijden in de ta-
bernakel (later de tempel) en werden offers gebracht. De
zondaar liet nu a.h.w. zijn zonden in het heiligdom achter.
Eén keer in het jaar werd er schoon schip gemaakt. Dan wer-
den al die ‘opgehoopte’ zonden uitgedelgd tijdens een impo-
sante dienst. Tien dagen voor de Grote Verzoendag werd door
trompetten aangekondigd dat het bijna zover was. Als men
nog zonden wilde belijden en offers wilde brengen moest men
haast maken, want alleen de zonden die waren beleden en naar
de tabernakel waren gebracht, konden worden uitgewist. Wie
de kans voorbij had laten gaan bleef met zijn schuld zitten. De
Grote Verzoendag was dus in feite een dag van oordeel die.51
scheiding maakte tussen hen die alles in orde hadden gemaakt
en hen die dat verzuimd hadden.
Dat geeft ons een idee wat bedoeld kan zijn als Jezus een
‘hogepriester’ wordt genoemd, die nu zijn werk doet in een
hemels heiligdom. Hij is en blijft onze hogepriester. Hij is onze
Middelaar. Hij staat tussen God de Vader en ons in. De oud-
testamentische hogepriester was natuurlijk maar een zeer ge-
brekkige middelaar. Aäron en zijn opvolgers waren gewone,
zondige mensen. Jezus daarentegen is de volmaakte Midde-
laar. Dat betekent dat we er niet alleen voor staan. Jezus ‘pleit’
voor ons bij de Vader. 39 Hij zegt tegen zijn Vader: ‘Ik ben voor
die mensen gestorven. U kunt ze aannemen. Ik heb de schuld
voor die mensen voldaan.’
Maar helaas willen niet alle mensen gebruik maken van de
mogelijkheid om vergeving te krijgen. Niet iedereen vindt dat
hij een Middelaar nodig heeft. Dat brengt scheiding tussen de
mensen en verdeelt de mensheid in twee grote kampen. Zo
bezien is Jezus niet alleen de Middelaar, maar ook degene die
de mens oordeelt. Hij bepaalt wie behouden zullen worden en
wie niet. Dat is de betekenis van zijn Hogepriesterschap. Wij
hebben een Middelaar, Goddank. En we hebben Iemand die
onze bestemming bepaalt, die vaststelt of onze zonden zijn
uitgedelgd, doordat wij gebruik hebben gemaakt van het god-
delijk aanbod, of dat onze zonden blijven bestaan als een aan-
klacht die ons tot de eeuwige ondergang brengt. Voor of tegen
Jezus zijn is letterlijk een zaak van leven of dood.
Jezus de Heer
Enkele honderden keren wordt Jezus in het Nieuwe Testa-
ment ‘Heer’ genoemd. In het Grieks is dat het woord ‘Kurios’,
dat we herkennen uit het refrein van een bekend kerstliedje:
‘Kyrie Eleison’ - Heer, heb medelijden met ons. De Romeinse
keizers in de eerste eeuw eisten voor zichzelf goddelijke waar-
digheid op. Eén van de titels die zij graag voor zichzelf reser-.52
veerden was ‘kurios’ Maar de eerste christenen wilden die titel
alleen maar geven aan de opgestane Christus. Hun diepste lo-
yaliteit wilden zij niet toekennen aan een mens, hoe machtig
die ook was en hoe gevaarlijk het ook was hem de gevraagde
eer te onthouden. Hun ‘Heer’ was niet de keizer, maar Jezus
Christus.
Die geloofsbelijdenis - ‘Jezus is Heer’ - kunnen wij de eerste
christenen heel snel nazeggen. Maar wat bedoelen we, als we
die woorden herhalen? Als we het werkelijk menen dat Jezus
‘de Heer’ is, dan houdt dat in dat Hij het absolute gezag over
ons leven krijgt, dat er geen hoekje in ons innerlijk is waar Hij
geen toegang heeft, dat er geen kamer in ons huis is waar Hij
niet mag komen, dat er geen gulden door ons wordt uitgege-
ven waarmee Hij niet accoord zou kunnen gaan. Met andere
woorden, dat Hij de voorrang krijgt in ons leven en dat we
zijn navolgers worden. Dat helemaal waar te maken vraagt een
ingrijpende beslissing. Het is een beslissing die we niet uit de
weg kunnen gaan. ‘Wie niet voor Mij is, is tegen Mij’, zei
Jezus zelf. 40
Hierop komt het aan. Iemand kan precies weten wat de
Bijbel over Jezus zegt en met alle theologische problemen op
de hoogte zijn, maar als hij niet op het punt gekomen is om
Jezus als zijn ‘Heer’ te erkennen, dan heeft al die kennis geen
waarde.
Jezus - de mensgeworden God; de opgestane Christus; de
Middelaar tussen God en ons - is de Heer! Is Hij ook uw Heer?
1. Jörg Zink, Jezus . . . daar gaat God. Hilversum: Gooi en Sticht, 1976.
2. In de eerste plaats moet het concilie van Nicea (325) genoemd worden.
Directe aanleiding tot het bijeenroepen van deze kerkvergadering was
het optreden van Arius, die beweerde dat Christus een geschapen schepsel
was en dus ondergeschikt was aan de Vader. In Nicea kwam men tot de
slotsom dat deze gedachte onjuist was en dat Christus ‘één in wezen’
was met de Vader. Allerlei andere conflicten ontstonden over het pro-
bleem hoe het goddelijke en het menselijke in Jezus Christus konden.53
samengaan. Het concilie van Chalcedon (451) probeerde hieraan (niet
met volledig succes) een einde te maken. Men nam een formule aan die
behelste dat in één persoon twee naturen ‘onvermengd, onveranderd,
ongedeeld en ongescheiden’ aanwezig waren.
3. In een brief van Plinius de Jonge, de proconsul van de provincie Bithynië,
aan keizer Trajanus (111) wordt enkele malen melding gemaakt van
Jezus als een historische figuur. Ook Tacitus noemt Jezus in zijn Annales
(115) waarin hij de tijd van Augustus tot Nero beschrijft.
Enkele jaren later (ca. 120) maakt de historicus Suetonius van Jezus
gewag.
Andere schrijvers uit de beginperiode van onze jaartelling die Jezus noe-
men zijn Celsus (ca. 130) en de jood Flavius Josephus (ca. 37 - ca. 100).
4. Volgens het evangelie van Johannes bezocht Jezus drie paasfeesten (2:13;
6:4; 13:1) en een niet nader aangeduid ‘feest der joden’ (5:1). Er zijn
redenen om te vermoeden dat dit feest eveneens een paasfeest was.
Aangezien Jezus een aantal maanden voor het eerstvermelde paasfeest
werd gedoopt en tijdens het laatstvermelde ter dood werd gebracht, zou
men de periode van Jezus’ publieke loopbaan op drie en een half jaar
kunnen stellen. Interessant is in dit verband de profetie van Daniël 9:24-
27, waarin wordt vermeld dat ‘een gezalfde’ zal worden uitgeroeid, waarbij
een tijdsperiode van drie en een halve jaarweek (d.w.z. drie en een half
jaar) wordt genoemd.
5. Matteüs 1:18.
6. Matteüs 2:13-23.
7. Lucas 2:41-50.
8. Matteüs 2:1-17; Marcus 1:1-11; Lucas 3:1-18.
9. Matteüs 4:1-11; Marcus 1:12, 13; Lucas 4:1-13.
10. Jakobus 1:13.
11. Zie b.v. Johannes 11:35.
12. Matteüs 27:46; Marcus 15:34.
13. Matteüs 4:2; Lucas 4:2.
14. Matteüs 24:36; Marcus 13:32.
15. Johannes 5:30.
16. De titel ‘Zoon des mensen’ werd in sommige joodse geschriften gebruikt
als aanduiding van een komend hemels wezen dat, verwant aan de eer-
ste mens, het gehele mensdom kon vertegenwoordigen. Jezus paste die
titel op Zichzelf toe.
17. 1 Timoteüs 2:5.
18. Filippenzen 2:5-8.
19. Johannes 1:1.
20. Titus 2:13.
21. Openbaring 19:16.
22. Openbaring 1:8.
23. Johannes 14:9.
24. Johannes 10:30.
25. Zie b.v. Matteüs 8:1; 20:29; 7:29; Marcus 1:22.
26. Marcus 15:13, 14; Lucas 23:21; Johannes 19:6, 15..54
27. Romeinen 6:23.
28. Hebreeën 4:15.
29. Johannes 10:18.
30. Genesis 4:3, 4; 8:20, enz.
31. Zie o.a. Exodus 25-30; 35-40; Leviticus 1-9; 16; 23; 24:1-9; Deutero-
nomium 12; 16:1-17.
32. Handelingen 2:41.
33. Kolossenzen 1:23.
34. 1 Korintiërs 15:12-19.
35. Zie Handelingen 15:13 vv. Vergelijk Johannes 7:5.
36. 1 Johannes 1:1.
37. Zie o.a. Hebreeën 4:14-16; 9:11-28.
38. Zie Leviticus 16.
39. Hebreeën 7:25.
40. Matteüs 12:30; Lucas 11:23..55
VERWACHTEN OF AFWACHTEN?
Een bezoek aan de stad Medellin, één van de grote steden
van de Zuidamerikaanse staat Colombia, is mij altijd blijven
heugen. Ik was voor de eerste keer in dat werelddeel en onder-
ging elke dag als een geweldige ervaring. Een wat meer erva-
ren reisgenoot zorgde ervoor dat ik echt kennismaakte met de
stad en de omgeving. Ik herinner mij levendig hoe wij op de
markt langs de stalletjes van de Indianen gingen en na veel
afdingen prachtige souvenirs kochten. In veel opzichten is
Medellin een ideale verblijfplaats. Taxiritten zijn er goedkoper
dan de prijs van een rit in een Europese stadsbus. Een goede
maaltijd in een prima restaurant kost omgerekend nauwelijks
een paar gulden. Schoenpoetsers ontfermen zich gedurende
een kwartier met een ijver een betere zaak waardig over het
schoeisel van een toerist voor de somma van twee kwartjes.
Het bezoek aan Medellin zal mij echter vooral lang in gedach-
ten blijven vanwege iets heel anders. Want het was de eerste
keer dat ik persoonlijk echt met mijn neus op de verschrikkin-
gen van bittere armoede, vreselijke ondervoeding en analfabe-
tisme werd gedrukt. Inmiddels heb ik ook elders in de wereld
veel narigheid gezien, maar nooit eerder werd ik zo direct met
zoveel ellende, zoveel bedelende kinderen en zulke verschrik-
kelijke woontoestanden geconfronteerd.
Er zijn massa’s mensen die veel meer gereisd hebben dan ik
en die ongetwijfeld veel meer kunnen vertellen over wat zij
gezien hebben. Veel westerse mensen gaan eraan voorbij, maar
het trieste feit blijft: honger, armoede en ellende zijn in de
wereld van het laatste decennium van de twintigste eeuw - de
eeuw van computers en kernenergie - eerder regel dan uitzon-
dering. Voor dat deel van de mensheid dat in de ‘rijke’ landen
woont, moet het een uitdaging zijn om verbetering te brengen.56
in het lot van de honderden miljoenen die in zo kommervolle
omstandigheden leven. Het is misdadig tevreden te zijn met
de status quo. Zolang niet alle mensen op deze aardbol een
menswaardig bestaan hebben, is er alle reden door te blijven
gaan met ontwikkelingshulp, zending en missie en die zoveel
mogelijk uit te breiden.
Maar wie de situatie in de wereld objectief bekijkt, verliest
veel van het optimisme dat hij misschien eens heeft gekoes-
terd.
Ondanks alle inspanningen van regeringen, organisaties voor
ontwikkelingshulp en kerken, wordt de kloof tussen ‘rijke’ en
‘arme’ landen steeds groter. Ondanks de honderdduizenden
tonnen voedsel die jaarlijks verscheept worden naar de landen
waar gebrek heerst, sterven dagelijks duizenden mensen (en
vooral kinderen) de hongerdood. Ondanks de geweldige voor-
uitgang op het gebied van de medische wetenschap sterven
miljoenen mensen, omdat ze niet kunnen delen in deze ver-
worvenheden.
Dat is de realiteit. We worden er zo vaak via de massamedia
mee in aanraking gebracht dat het ons in veel gevallen niet
meer zo veel zegt.
Onnodig pessimisme?
De realiteit van de wereld om ons heen is ook die van bruut
geweld, wapengekletter en misdadigheid. Geen verstandig mens
zal, als hem dat op de man af gevraagd wordt, oorlog verkie-
zen boven vrede. En toch, alle vredesmarsen en alle idealisme
van honderden vredesbewegingen en actiegroepen ten spijt,
blijven oorlog en geweld deel uitmaken van onze tijd en blijkt
onze wereld het toneel te zijn van een ijzingwekkende bewa-
peningswedloop.
Nauwelijks is een bepaald oorlogstuig uitgevonden, of het
wordt al overtroffen door iets nog dodelijkers, nog afschrik-
wekkenders. Met de bommen op Hiroshima en Nagasaki be-.57
gon een nieuw tijdperk: één druk op de knop is nu voldoende
om binnen enkele minuten honderden miljoenen mensen te
doden en honderdduizenden vierkante kilometers voor lange
tijd onleefbaar te maken.
Het is niet moeilijk nog meer dingen op te noemen die het
bestaan van het mensdom bedreigen. De wereldbevolking
neemt angstig snel in aantal toe. Hoe zullen die miljarden extra
monden die er de komende tien à twintig jaar bijkomen, ge-
voed moeten worden? En een ander probleem dat in het begin
van de zeventiger jaren plotseling in volle omvang ook voor
het grote publiek duidelijk werd, is het snelle tempo waarin
onze energiebronnen uitgeput dreigen te raken. Koortsachtig
zal naar andere energiebronnen moeten worden gezocht. In
hoeverre men er bijtijds in zal slagen die in voldoende mate te
ontwikkelen, is nog een open vraag.
Het is bepaald geen uiting van overbodig pessimisme, als
we ons afvragen hoe de toekomst er voor onze planeet zal uit-
zien. Wie zich die vraag stelt, bevindt zich in het gezelschap
van een eindeloze rij van staatslieden en geleerden die ook pes-
simistisch gestemd zijn over de toekomst van de mensheid.
De oplossing
Toch wordt voor wie in de Bijbel gelooft, deze sombere kijk
op de toekomst meer dan gecompenseerd door het geloof dat
God de wereld en de mensen niet heeft losgelaten, maar dat
Hij op een bepaald moment tussenbeide gaat komen. Als er
één waarheid is die steeds weer door de Bijbel (en vooral door
het Nieuwe Testament) wordt benadrukt, dan is het wel dat
Jezus Christus opnieuw naar de aarde zal komen, een radicaal
einde zal maken aan het huidige bestel en zijn volgelingen zal
ophalen om hen opnieuw te laten beginnen onder onverge-
lijkbaar veel betere omstandigheden. Die gebeurtenis, de we-
derkomst van Jezus, is de enig denkbare oplossing voor alle
problemen waar de mensheid van nu mee worstelt..58
Jezus komt
Het feit van de wederkomst vormt één van de belangrijkste
accenten van het Nieuwe Testament. Jezus maakt het zijn dis-
cipelen heel duidelijk: ‘Ik ga heen om u plaats te bereiden; en
wanneer Ik heengegaan ben en u plaats bereid heb, kom Ik
weder en zal u tot Mij nemen’. 1 Wat een geweldige belofte! En
wij hebben redenen te over om te geloven dat deze belofte
waar zal worden gemaakt en om te geloven in wat de engelen
zeiden toen de discipelen verbaasd omhoog keken naar hun
opstijgende Meester: ‘Deze Jezus, die van u opgenomen is naar
de hemel, zal op dezelfde wijze wederkomen, als ge Hem ten
hemel hebt zien varen’. 2 Dat is ook de noot waarop de Bijbel
eindigt: ‘Ja, Ik kom spoedig!’ 3
Wanneer
Over het feit dat Jezus zal terugkomen, kan geen onenig-
heid bestaan onder degenen die de Bijbel serieus nemen. Hoog-
stens kan men zich afvragen wanneer Hij terugkomt. De apos-
tel Johannes spreekt over ‘spoedig’, maar inmiddels zijn ruim
negentien eeuwen voorbijgegaan, zonder dat deze alles-
overtreffende spectaculaire gebeurtenis heeft plaatsgevonden.
Dat ‘spoedig’ lijkt dan toch wel erg betrekkelijk! Is de Bijbel
wel zo duidelijk als het om het tijdstip van de terugkeer van
Christus gaat? Men zou, als men de geschiedenis van het chris-
tendom bekijkt, geneigd zijn die vraag ontkennend te beant-
woorden. Want hoe valt anders te verklaren, dat oprechte ge-
lovigen door alle eeuwen heen steeds weer gedacht hebben,
dat in hun dagen het moment van de tweede komst van Jezus
was aangebroken? Eigenlijk horen we in het Nieuwe Testa-
ment al stemmen opgaan dat het grote moment elk ogenblik
kan aanbreken. De apostel Paulus waarschuwt de leden van de
kerk in Tessalonika dat ze hun ‘bezinning’ niet moeten verlie-
zen en zich niet moeten laten aanpraten, dat ‘de dag des He-
ren’ op korte termijn zal aanbreken. Eerst moeten er nog aller-
lei dingen gebeuren, voor het zover kan zijn. 4 En toch hoopte.59
diezelfde Paulus dat hij die grote dag nog zou meemaken. Hij
hoopte dat zijn ‘verblijf in de aardse tent’ spoedig tot een eind
zou komen, maar dat hij niet zou behoeven te sterven. Hij
hoopte dat hij niet ‘ontkleed’ zou worden, doch de weder-
komst zou meemaken en bij die gebeurtenis de onsterfelijk-
heid zou krijgen. 5
De eerste christenen hebben vurig uitgezien naar de terug-
keer van hun Meester. Zij hebben niet begrepen, dat er nog
heel veel gebeurtenissen moesten plaatsvinden, in de kerk en
in de wereld, voordat het zover kon zijn. En misschien is het
maar gelukkig ook dat ze dat niet begrepen hebben, want die
vurige hoop maakte het mogelijk dat ze niet bezweken en hun
geloof afzwoeren toen de vervolgingen losbarstten en mensen
(?) als Nero en Domitianus de christenen lieten martelen en
doden.
Hoe spoedig is ‘spoedig’?
In elke eeuw zijn er groepen christenen geweest die dachten
dat het moment van de wederkomst op handen was. Steeds
opnieuw bleek dat ze zich hadden vergist en dat ze hun bere-
keningen moesten herroepen. Is het dan nog wel geloofwaar-
dig om in onze tijd opnieuw te verkondigen dat Jezus spoedig
terugkeert? Als men al zo vaak teleurgesteld moest erkennen
dat de voorspelde terugkeer niet plaatsvond, waarom zou dat
nú dan anders zijn?
Voordat we hierop een goed antwoord kunnen geven, moe-
ten we een tweetal dingen onderstrepen. In de eerste plaats zal
niemand ooit exact kunnen zeggen wanneer Jezus zal terugke-
ren. De Bijbel is op dat punt zo duidelijk, dat het ons alleen
maar kan verbazen dat men in het verleden zo vaak de fout
heeft gemaakt een datum vast te stellen voor de wederkomst. 6
Jezus komt ‘als een dief in de nacht’. 7 Sterker nog: De dag en
het uur is aan geen mens, zelfs aan de engelen niet bekend. 8
Alleen God weet wanneer het laatste uur voor deze wereld slaat..60
In de tweede plaats moeten we ook beseffen, dat ‘spoedig’
voor God een ander begrip is dan voor ons. Bij God is ‘dui-
zend jaar als een dag’ en omgekeerd. 9 Voor de eeuwige God is
een paar honderd jaar als één enkele tik van de klok.
Vooral deze tweede opmerking zou ons kunnen ontmoedi-
gen om nog iets te durven zeggen over de ‘spoedige’ komst van
Christus. Toch hebben we voldoende houvast om er dieper op
in te gaan. Want, laten we niet vergeten, dat God in de Bijbel
zijn plan in menselijke woorden heeft vertaald en begrippen
gebruikte die voor ons verstaanbaar zijn. En als de Bijbel dus
tijdsaanduidingen geeft voor de wederkomst, kunnen we daar
wel degelijk mee uit de voeten, ook al zullen we de twee bo-
venstaande opmerkingen wel in onze conclusies moeten ver-
werken.
Signalen van het komende rijk
In de Bijbel wordt een lange reeks van ‘tekenen der tijden’
genoemd, dingen die de wederkomst van Christus zullen in-
luiden. Jezus gaf het voorbeeld van een vijgeboom: ‘Let op de
vijgeboom en op al de bomen. Zodra zij uitlopen, weet gij uit
uzelf, omdat gij het ziet, dat de zomer reeds nabij is’. En Hij
vervolgt: ‘Zo moet ook gij, wanneer ge dit ziet geschieden,
weten, dat het Koninkrijk Gods nabij is’. 10 Dit is een verwij-
zing naar een complex van gebeurtenissen die aan zijn terug-
keer zullen voorafgaan. Vooral Matteüs 24 en de parallelle
hoofdstukken in de evangeliën van Marcus en Lucas geven
ons daarover nadere bijzonderheden. 11 En natuurlijk is ook de
Openbaring van Johannes op dit punt een belangrijke bron
van informatie.
Zo lezen wij bijvoorbeeld in het zesde en zevende vers van
Matteüs 24: ‘Gij zult horen van oorlogen en van geruchten
van oorlogen . . . want volk zal opstaan tegen volk en konink-
rijk tegen koninkrijk’. 12 Voordat Jezus terugkomt zullen er dus
oorlogen en geruchten van oorlogen zijn. Natuurlijk zijn er.61
altijd oorlogen geweest, bloedige en lange oorlogen. Maar wat
waren de oorlogen van vroeger vergeleken met die van nu?
Waar vroeger legers van meestal niet meer dan duizenden of
tienduizenden vochten met naar onze maatstaven gebrekkige
wapens, staan nu intercontinentale raketten met kernlading
gereed om op elk moment te kunnen worden afgevuurd. De
tachtigjarige oorlog was maar een onbetekenende schermutse-
ling vergeleken bij de laatste wereldoorlog. En de strijd in Viet-
nam was maar een onbeduidend geschil vergeleken bij de to-
tale wereldbrand die heel gemakkelijk, zelfs door een klein
misverstand, zou kunnen ontstaan. Meer dan ooit tevoren
horen we van oorlogen en van geruchten van oorlogen. Het is
nauwelijks nodig om voorbeelden te noemen.
Moderne oorlogen eisen honderdduizenden of zelfs miljoe-
nen mensenlevens, maar ook de materiële schade is onvoor-
stelbaar. In de oorlog 1914-1918 bedroeg de materiële schade
840 miljard gulden. De schade van de tweede wereldoorlog
wordt door deskundigen geschat op 2,5 triljoen gulden (een
getal met achttien nullen).
Het merkwaardige is dat ondanks het ‘bulderen van de ka-
nonnen’, ondanks de steeds toenemende vijandigheid tussen
volkeren, tegelijkertijd steeds meer over vrede wordt gespro-
ken. Na de eerste wereldoorlog werd de Volkerenbond gesticht
om voortaan de vrede te waarborgen. Na de tweede wereld-
oorlog kwam de organisatie van de Verenigde Naties tot stand
om de oorlog te helpen uitbannen. Conferenties worden aan
de lopende band belegd. Regeringsleiders stellen vredesplannen
op en proberen in allerlei conflicten te bemiddelen.
De bijbelse woorden van de profeet Jeremia doen onwille-
keurig aan deze situatie denken: ‘Hoop en vrede, maar er is
niets goeds; op een tijd van genezing, maar zie verschrikking!’ 13
Het lijkt wel of alle gepraat over vrede weinig uitricht. Wat de
regeringsleiders ook zeggen, hoe kerkelijke leiders zich ook
tegen de oorlog keren, hoe vaak de paus een uitspraak doet,
hoeveel vredesweken de kerken ook organiseren, we hebben
nog steeds te maken met de realiteit van oorlog en bewape-.62
ningswedloop, waarbij ca. honderd miljoen gulden per uur
wordt uitgegeven.
In het begin van de twintigste eeuw tekende Andrew
Carnegie een cheque voor 1 miljoen dollar. Er werd een Vredes-
paleis gebouwd in Den Haag. In 1911, toen het Vredespaleis
nog maar half klaar was, eiste een belangrijke Franse krant, dat
het gebouw weer zou worden afgebroken om de volgende re-
den: Toen men tot de bouw besloten had, brak de Boeren-
oorlog uit in Zuid-Afrika en werden al plannen gesmeed voor
een Japans-Russische oorlog. Toen de eerste steen voor het
Vredespaleis gelegd was, ging de Duitse keizer op reis naar
Tanger, een gebeurtenis die het begin van de complicaties tus-
sen Marokko en Europa markeerde. Toen de eerste verdieping
klaar was, veroverde Oostenrijk Bosnië en Herzegowina. Toen
de tweede verdieping klaar was, begonnen de moeilijkheden
tussen Duitsland en Frankrijk. En toen men aan het dak be-
gon brak de oorlog uit tussen Turkije en Italië. Het blad voor-
spelde verder in sombere taal, dat als het paleis gereed zou
zijn, er wel één of andere verschrikkelijke oorlog zou uitbre-
ken. Inderdaad brak een paar maanden na de voltooiing van
het Vredespaleis de eerste wereldoorlog uit.
Jezus zei ook: ‘Er zullen, nu hier, dan daar, hongersnoden
en aardbevingen zijn’. 14 Ook hongersnoden en aardbevingen
zijn dus signalen van Jezus’ naderende komst.
Iemand zal zeggen: ‘Aardbevingen zijn er altijd geweest’. Dat
is waar, maar het aantal aardbevingen stijgt naarmate de tijd
voortschrijdt. In de zeventiende eeuw waren er 378 aardbe-
vingen. In de achttiende eeuw waren er 640. In de negen-
tiende eeuw steeg dat aantal tot 2119, terwijl dat getal in deze
eeuw nog aanzienlijk hoger zal liggen. Hoezeer het aantal aard-
bevingen toeneemt, blijkt ook uit andere cijfers. Vanaf de
twaalfde tot en met de zeventiende eeuw was er gemiddeld per
eeuw één werkelijk catastrofale aardbeving. In de achttiende
eeuw vonden er 8 catastrofale aardbevingen plaats. In de ne-
gentiende eeuw waren het er twaalf. En sinds het jaar 1900 is.63
het gemiddeld één per jaar. De aardbeving van Lissabon van
1755 gold lange tijd als één van de grootste aardbevingen aller
tijden. Toch blijven de 50.000 doden in Lissabon in de scha-
duw bij het getal van 200.000 slachtoffers na de aardbeving
van 1923 in Japan. In 1920 werd in één keer in China 1500
vierkante mijl verwoest, waarbij 1 miljoen mensen omkwa-
men. Wij herinneren ons verder wel de televisiebeelden van de
verschrikkingen van de aardbevingen van de laatste jaren.
Al deze aardbevingen zijn tekenen dat Jezus’ komst nadert.
Ook hongersnoden zijn er een teken van. Momenteel lijdt
tweederde van de wereldbevolking in meer of mindere mate
honger. India, Ethiopië en de Sahellanden zijn namen die in
dit verband geen verder commentaar behoeven.
Oorlogen zijn rampzalig, aardbevingen en hongersnoden
zijn verschrikkelijk, maar wat te zeggen van de morele situatie
van deze tijd? Jezus zei: ‘Want zoals het was in de dagen van
Noach, zo zal het ook zijn in de dagen van de Zoon des men-
sen . . . etende, drinkende, huwende en ten huwelijk gevende’. 15
De tijd van Noach was een tijd van ongeëvenaard zedelijk ver-
val. Voedsel en seks was alles wat men meende nodig te heb-
ben. Jezus zei: ‘Precies zo zal het zijn, voordat Ik kom’.
Het is geen uiting van kleinzielige preutsheid vast te stellen
dat dit de situatie van onze tijd schildert. Het op grote schaal
loslaten van vrijwel alle zedelijke waarden is een signaal van
het naderende einde. Eén van de schrijvers van de Bijbel zegt:
‘Weet wel, dat er in de laatste dagen zware tijden zullen ko-
men: want de mensen zullen zelfzuchtig zijn, geldgierig,
pochers, vermetel, kwaadsprekend, aan hun ouders ongehoor-
zaam, ondankbaar, onheilig, liefdeloos, trouweloos, lasteraars,
onmatig, onhandelbaar, afkerig van het goede, verraderlijk,
roekeloos . . .’ 16 Zo zullen de mensen zijn in ‘de laatste dagen’.
Vormen die woorden geen haarscherpe analyse van onze tijd?
Belangrijk zijn ook de signalen op godsdienstig gebied: ‘Zie
toe, dat niemand u verleide! Want velen zullen komen onder.64
mijn naam en zeggen: Ik ben de Christus, en ze zullen velen
verleiden’. 17 Wie een beetje in de gaten houdt wat er op gees-
telijk gebied gebeurt, weet dat inderdaad met de regelmaat
van de klok valse profeten voor het voetlicht treden. Soms is
hun optreden erg bedrieglijk. Daarom gaf Jezus de waarschu-
wing: ‘Zie toe, dat niemand u verleide’. Met andere woorden:
‘Pas op, dat je er niet door in de war raakt. Er zullen zelfs
mensen optreden die beweren dat ze God of Christus zelf zijn’.
De apostel Paulus heeft ook iets te zeggen over de gods-
dienstige toestand die zich zal voordoen voor de wederkomst
van Jezus. Hij zegt dat de mensen dan meer liefde zullen heb-
ben voor genot dan voor God en schrijft over mensen die ‘een
schijn van godsvrucht’ hebben ‘maar de kracht daarvan ver-
loochend hebben’. 18 Zeker in onze westerse wereld is het waar
dat genot en amusement meer dan ooit op de voorgrond staan.
Geen uur is te vroeg of te laat voor amusement, maar voor de
meeste mensen is elk uur te vroeg of te laat om naar de kerk te
gaan. Er is nog wel ‘een schijn van godsvrucht’, maar de kracht
van het geloof is vaak ver te zoeken. Er wordt veel over God
gepraat, want God is wonderlijk genoeg bij velen toch nog
‘in’, maar het levende, rotsvaste geloof, dat het hart bevredigt,
is tamelijk zeldzaam aan het worden.
Er is ook een andere kant aan de medaille. God is door
velen doodverklaard. Godsdienst is bestempeld als ‘opium voor
het volk’. Kerken die eens te klein waren staan nu leeg. Maar
dat is slechts de helft van de waarheid. Jezus sprak over de
verwording op geestelijk vlak, maar ook over iets anders: ‘Dit
evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt
worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde
gekomen zijn!’ 19
De boodschap van het christendom werd in de eerste eeu-
wen van het bestaan van de kerk over een groot gedeelte van
de wereld gebracht. In de donkere middeleeuwen ging weer
veel van het gewonnen terrein verloren. De ontdekkingsreizen
ontsloten enorme gebieden waar zending kon worden bedre-.65
ven, maar in de kolonisatieperiode die volgde maakte men zich
over het algemeen niet zo druk over het geestelijke heil van de
verre volken waarmee men in aanraking kwam. Pas omstreeks
1800 ging men inzien dat grootscheepse pogingen gedaan
moesten worden om de wereld het evangelie te brengen. De
eerste zendeling in de moderne betekenis van het woord was
William C. Carey, een baptist die in 1793 naar India ging.
Kort daarop vertrok Robert Morrison naar China. Adohiram
Hudson ging naar India en Birma. David Livingstone betrad
de brandende woestijnen en ondoordringbare oerwouden van
Afrika. Livingstone, de prediker, de arts, de ontdekkingsreizi-
ger, de onderwijzer, gaf zijn leven voor Afrika. Honderen an-
deren gingen naar verre streken om het evangelie te brengen.
Zendingsbewegingen kwamen als paddestoelen uit de grond.
Ook de bijbelgenootschappen ontstonden, die voor een gesta-
dige stroom van nieuwe bijbels in steeds meer talen zorgden.
Tot 1800 kwamen 71 bijbelvertalingen gereed. Tussen 1800
en 1900 steeg dat aantal van 71 tot 567, terwijl de Bijbel,
geheel of gedeeltelijk, nu in zo’n 2000 talen en dialecten ver-
krijgbaar is. Het evangelie kan nu inderdaad gepredikt wor-
den over de gehele wereld! Ook dat is een teken (misschien
wel het teken) van het op handen zijnde einde.
Een totaalbeeld
De ‘tekenen der tijden’ leveren een totaalbeeld op waarin
heel duidelijk onze eeuw te herkennen valt. We zien de dingen
die voorspeld werden voor onze ogen gebeuren. We kunnen
daarom niet ontkomen aan de conclusie dat wij de laatste fase
van de wereldgeschiedenis zijn binnengetreden. Deze slotsom
wordt bekrachtigd wanneer we de belangrijkste profetieën uit
de bijbelboeken Daniël en Openbaring in dit verband bezien.
In hoofdstuk 2 kwam het tweede hoofdstuk van het boek
Daniël al even ter sprake: de reeks van wereldrijken met daarna
een situatie van politieke verdeeldheid. Die profetie heeft zich
minitieus vervuld. We leven nu in de periode van onoplosbare
politieke verdeeldheid, de laatste fase. Maar dan, zegt de pro-.66
feet, zal de goddelijke interventie komen (voorgesteld als een
groot rotsblok dat met donderend geweld naar beneden komt
en alles wat het op zijn weg vindt verbrijzelt, om daarna de
plaats van alle vorige rijken in te nemen). 20 De ruimte ont-
breekt ons helaas hier om andere gedeelten uit het boek Da-
niël en het laatste bijbelboek, de Openbaring, te bespreken.
Maar wie de profetieën laat zeggen wat ze willen zeggen, zon-
der ze te wringen in een keurslijf van speculatieve veronder-
stellingen, ontdekt dat de laatste fase van de geschiedenis is
aangebroken.
Laat niemand denken dat het allemaal zo’n vaart wel niet
zal lopen. Tweeduizend jaar geleden riepen de spotters al dat
alle gepraat over een wederkomst van Christus met alle ge-
beurtenissen daaromheen loos alarm was van gefrustreerde
onheilsprofeten. 21 En altijd heeft men dat in allerlei toonaar-
den herhaald. Maar er komt een moment dat die kortzichtige
instelling gelogenstraft zal worden. De geschiedenis is geen
kringloop van zichzelf herhalende series gebeurtenissen. In de
bijbelse opvatting is de geschiedenis eerder vergelijkbaar met
een lange lijn, met een begin en een duidelijk einde. De Duitse
keizer Wilhelm zei, toen hem dit allemaal werd uitgelegd: ‘Het
spijt me, maar dat kan ik niet accepteren. Het past niet in
mijn plannen’. Maar, of het in onze plannen past of niet, dat
einde kon wel eens dichterbij zijn dan zelfs veel bijbelvaste
christenen vermoeden.
Het kan morgen gebeuren
In feite kan het einde morgen plaatsvinden. Men zou hier-
tegen kunnen inbrengen dat bepaalde profetieën eerst nog in
vervulling moeten gaan. Met andere woorden: Het kan dan
wel ‘spoedig’ zijn, misschien binnen enkele jaren of nog in
deze eeuw, maar niet morgen! Ik wil die opvatting laten voor
wat hij is, maar er toch aan toevoegen, dat zelfs die gedachte
juist zou zijn, wij toch individueel ieder moment, zelfs van-
daag nog, met de wederkomst geconfronteerd kunnen wor-.67
den. Elk ogenblik kan immers ons leven een einde nemen.
Ons leven kan ons op hoge ouderdom langzaam ontglippen,
maar kan ook een bruut einde vinden onder de zware wielen
van een voortdenderende vrachtwagen. We kunnen opgewekt
naar kantoor gaan, maar de middag niet meer meemaken,
omdat ons hart het heeft begeven. We behoeven dat niet ver-
der toe te lichten, want diep in ons hart weten we, ook al
dringen we de gedachte meestal liever weg, dat we met de dood
in de schoenen lopen. Tussen het moment dat we de laatste
adem uitblazen en het moment dat we weer uit de dood ont-
waken, ligt een periode van onbewust-zijn, van niets weten en
niets ervaren of herinneren. Daarom is het tijdstip van insla-
pen voor onze ervaring gelijk aan het uur van ontwaken. Als
we vandaag zouden sterven, is dus voor ons besef de dag van
Christus’ wederkomst aangebroken. Wie zou dan durven zeg-
gen, dat het overdreven is te beweren dat Christus inderdaad
‘spoedig’ zal komen?
‘The greatest show on earth’
Er rijzen natuurlijk een heleboel vragen. Hoe zal Jezus te-
rugkeren? En wat gebeurt er dan allemaal? Michel van der Plas
noemde in zijn indrukwekkende gedicht over de wederkomst
deze gebeurtenis ‘the greatest show on earth’, de meest indruk-
wekkende manifestatie die deze aarde ooit heeft aanschouwd.
En dat is nog maar zwak uitgedrukt.
Jezus komt terug: letterlijk, zichtbaar, hoorbaar. Toen de
Meester veertig dagen na zijn opstanding naar de hemel ging,
keken zijn discipelen verbaasd toe. Dat hadden ze niet ver-
wacht! Maar door middel van engelen gaf God hun de infor-
matie die Hij nodig vond: ‘Deze Jezus, die van u opgenomen
is naar de hemel, zal op dezelfde wijze wederkomen. 22 Johannes
was één van degenen, die deze boodschap hoorden. Hij schreef
later: ‘Zie, Hij komt met de wolken en elk oog zal Hem zien’. 23
Is dat voor tweeërlei uitleg vatbaar? Of het te begrijpen is, is
een andere zaak. Hoe is het mogelijk, dat elk oog Hem zal zien.68
terugkeren? Hoe kan dat op een ronde aardbol? Ik moet het
antwoord schuldig blijven. Maar in een tijd waarin wij als
mensen vertrouwd zijn geraakt met tv, video, satellieten, laser-
stralen, enz. en waarin talloze dingen mogelijk zijn geworden
die onze grootouders voor onmogelijk hielden, kunnen wij
het toch wel rustig aan God overlaten om het voor ons besef
onmogelijke mogelijk te maken!
Wie kan bestaan?
De wederkomst van Jezus wordt voorafgegaan door onbe-
schrijfelijke tonelen. Het laatste bijbelboek vertelt over zeven
plagen die in hun wereldwijde uitwerking elke ramp die wij
ons kunnen voorstellen, maken tot een verwaarloosbaar inci-
dent. 24 ‘Een tijd van verdrukking, zoals er niet eerder geweest
is’. 25 Een tijd, waarin mensen in opperste wanhoop wensen,
dat ze bedolven mogen worden onder vallend gesteente. 26 Het
bloed zal stijgen ‘tot aan de tomen der paarden’. 27 Is het een
wonder dat bij de beschrijving van dit alles de vraag gesteld
wordt: ‘Wie kan bestaan?’ 28 Menselijkerwijs gesproken kan
niemand hier levend doorheen komen. Maar bij dit soort god-
delijk ingrijpen houdt elk menselijk spreken op. Want er zul-
len mensen zijn die het halen! Ja, zelfs mensen die vol overtui-
ging durven zeggen, dat ze dat allemaal hebben verwacht en
dat ze naar dat moment van redding hebben uitgezien. Zij vor-
men een minderheid (de bijbelse term is heel toepasselijk: een
overblijfsel, ‘de overigen’ 29 ), maar een niet onbetekenende min-
derheid. Zij komen door deze tumultueuze gebeurtenissen
heen, omdat ze wisten wat er zou gaan komen en omdat ze
zich erop hadden voorbereid. Ze hadden zich geschaard aan
de kant van Hem, die uiteindelijk de heerschappij over deze
wereld zal opeisen. Daarom ontgaan ze het lot van hen die
zich willens en wetens van God afkeerden of voortsudderen in
roekeloze onverschilligheid.
De groep die door deze geweldige climax heenkomt, er-
vaart de wederkomst letterlijk als een godsgeschenk. Voor hen.69
geen dood, geen graf, geen ontbinding, maar het plotselinge
wonder van de onsterfelijkheid. De eeuwigheid is voor hen
begonnen. 30
Maar dat is niet alles wat er gebeurt. Er zijn talloos velen die
in hun leven voor God kozen, maar stierven voordat de dag
van de wederkomst aanbrak. Op het moment dat Christus
verschijnt worden hun graven geopend. Ook voor hen is dan
de eeuwigheid begonnen. 31
Hoe kan dat allemaal? Opnieuw moeten we het antwoord
schuldig blijven en in geloof ons vertrouwen belijden in de
almachtige God, die eens schiep en straks door datzelfde
machtswoord zal herscheppen.
Verwachten of afwachten?
Onstuitbaar komen Gods plannen tot uitvoering. De steen
raakt los. Alles wat nu nog komt is eindgeschiedenis. Wat
blijft ons anders over dan rustig afwachten totdat het laatste
uur slaat? Rustig afwachten tot Jezus komt? Geduldig de tijd
uitzitten? Het is een ernstig misverstand te veronderstellen dat
dit Gods wil is. Gelaten afwachten is een houding die eerder
heidens is dan christelijk. De christen moet de wederkomst
niet afwachten, maar verwachten. Tussen die twee begrippen
bestaat een hemelsbreed verschil. Afwachten is negatief en fa-
talistisch. Verwachten is positief en heeft te maken met verlan-
gen, hoop, perspectief, vervulling en vooral activiteit. Wie Je-
zus echt verwacht wordt een ander mens. Die verwachting vult
zijn leven en zet hem ertoe aan anderen aan te sporen die hoop-
volle visie met hem te gaan delen. Christus verwachten bete-
kent een manier van leven die op alle gebieden consequenties
heeft. Wie Jezus verwacht stelt andere prioriteiten dan de door-
snee-mens. Hij ziet een lijn in de gebeurtenissen om zich heen
die anderen niet ontwaren. Hij ziet licht waar anderen alleen
maar duisternis zien. Hij ziet de betrekkelijkheid in van veel
dingen waar de massa zich zo bedroevend druk over maakt,.70
omdat hij nieuwe waarden en nieuwe doelen heeft ontdekt
om zich voor in te zetten. Echt geloven in de wederkomst is
geen louter verstandelijke zaak. Het raakt je hele huidige be-
staan.
Is het niet vreemd dat zoveel mensen hun schouders opha-
len als ze aangesproken worden over de wederkomst van Jezus
en het leven hierna? Hoe is het te verklaren dat men zich op
allerlei manieren wil beschermen voor de toekomst, de ene
verzekering na de andere afsluit om alle denkbare materiële
risico’s te dekken en tegelijkertijd zo nonchalant omspringt
met de eeuwige toekomst? Wanneer Jezus terugkomt wordt
duidelijk wie eeuwig leven ontvangt en wie ernaast grijpt! Maar
de beslissing of u eenmaal eeuwig zult leven, wordt niet geno-
men op het moment dat Jezus komt. De beslissing val nú. Het
is uw eigen beslissing: voor of tegen God, met alles wat dat
inhoudt. Wie goed kiest, kiest voor de eeuwigheid. Wie niet
kiest, heeft toch gekozen: voor de dood, het niets, de eeuwige
leegte. Niemand kan die keus uit de weg gaan. Geen keus is
een verkeerde keus. De goede keus opent de weg met eeuwige
perspectieven.
1. Johannes 14:3.
2. Handelingen 1:11.
3. Openbaring 22:20.
4. 2 Tessalonicenzen 2:2-4.
5. 2 Korintiërs 5:1-5.
6. Als adventist kost het me enige moeite om te erkennen dat voorlopers
van de negentiende eeuwse adventbeweging ook in die fout vervielen,
toen ze op basis van profetieën in het boek Daniël tot de conclusie kwa-
men dat 1844 het jaar van de wederkomst zou zijn. De ‘teleurstelling
van 1844’ is voor de adventisten een duidelijke waarschuwing om nooit
meer in deze onbijbelse fout van het berekenen van Jezus’ wederkomst
te vervallen.
7. 1 Tessalonicenzen 5:2.
8. Matteüs 24:36.
9. Psalm 90:4; 2 Petrus 3:8.
10. Lucas 21:30, 31.
11. Marcus 13 en Lucas 21.
12. Bij het lezen van Matteüs 24 moeten we er rekening mee houden dat.71
deels gebeurtenissen worden beschreven die samenhangen met de val
van Jeruzalem in 70 na Christus en deels gebeurtenissen die passen in
de eindtijd. Let op de dubbele vraag in vers 3, waarop Jezus antwoord
geeft.
13. Jeremia 14:19.
14. Matteüs 24:7; zie ook Marcus 13:8 en Lucas 21:11.
15. Matteüs 24:37.
16. 2 Timoteüs 3:1-4.
17. Matteüs 24:5. Zie ook vs. 23-25; Marcus 13:5, 22, 23; Lucas 21:8.
18. 2 Timoteüs 3:4, 5.
19. Matteüs 24:14.
20. Daniël 2:44, 45.
21. 2 Petrus 3:3, 4.
22. Handelingen 1:11.
23. Openbaring 1:7.
24. Zie Openbaring 16.
25. Matteüs 24:21.
26. Openbaring 6:16.
27. Openbaring 14:20.
28. Openbaring 6:17.
29. Zie b.v. Openbaring 12:17.
30. Zie verder blz. 89, 90.
31. Zie verder blz. 87-90..72
DE KLOOF OVERBRUGD
De mens is onvolmaakt, gemeten naar zijn eigen maatsta-
ven en naar die van de samenleving. De humanist zegt dat er
sprake kan zijn van vergissingen, dwalingen, gebreken en te-
kortkomingen. Voor hem doet al het christelijk gepraat over
zonde en schuld wat neurotisch aan: het begrip zonde is uit de
tijd. Zonde bestaat niet meer, omdat de God die de zonde
veroordeelde dood is. De christen protesteert tegen deze op-
vatting. Een oude christelijke spreuk luidde: ‘Op de bodem
aller vragen ligt der wereld zondenschuld’. Paul Tournier laat
een jongeman zeggen in zijn boek Radicale Therapie: ‘Er zijn
geen problemen, er zijn alleen maar zonden’.
Wat is zonde?
In de eerste brief van Johannes wordt een korte, aan duide-
lijkheid weinig te wensen overlatende definitie van zonde ge-
geven: ‘Zonde is wetteloosheid’, of zoals de Statenvertalers het
weergaven: ‘zonde is overtreding der wet’. 1 Het is dus heel een-
voudig naar het lijkt. Er is een wet, een maatstaf, een door
God gegeven norm. Wie die wet overtreedt ‘zondigt’. Het ligt
voor de hand hierbij vooral aan de tien geboden te denken.
Een van die geboden luidt: ‘Gij zult niet stelen’. Wie dus dit
wetsartikel overtreedt door iets te ontvreemden dat aan een
ander toebehoort zondigt. Zo iemand is dan een zondaar. Een
ander gebod vertelt ons dat overspel verboden is. Wie dat dus
doet is ook in dit geval een zondaar.
Maar er valt toch meer over zonde te zeggen dan men op
grond van deze definitie zou denken. Het blijkt in de Bijbel
niet alleen te gaan om onjuiste daden. Volgens de uitleg die.73
Jezus aan de verschillende geboden heeft gegeven, kan er sprake
zijn van zonde, nog voordat men iets laakbaars heeft gedáán.
Zo geeft Hij het veelzeggende commentaar op het gebod dat
over echtbreuk gaat: ‘Een ieder die een vrouw aanziet om haar
te begeren, heeft in zijn hart reeds echtbreuk met haar ge-
pleegd’. 2
Wat de Bijbel zoal onder zonde verstaat, komt misschien
wel het duidelijkst aan het licht als men het Oude Testament
op dit punt bestudeert. In de Hebreeuwse taal - de taal waarin
het grootste gedeelte van het Oude Testament oorspronkelijk
werd geschreven - worden verschillende woorden gebruikt, die
in het Nederlands alle met ‘zonde’ zouden kunnen worden
vertaald.
In de eerste plaats is er het woord pesha‘. Dit woord bete-
kent vooral: rebellie, opstand. Dat is wat zonde is: opstand
tegen God. Zo begon het in het paradijs, toen het eerste
mensenpaar tegen Gods richtlijnen inging. Rebellie kenmerkte
ook de houding van de mens in de dagen van Noach. Maar de
moderne mens is niet anders. Hoe moeilijk blijkt het steeds
weer onze eigen ideeën en verlangens op te geven. Hoe vaak
gaan we niet tegen God in? Zeggen we niet dikwijls ‘nee’ als
het ‘ja’ had moeten zijn?
Het tweede woord is chattath. Dit laat zich het best vertalen
met: het doel missen, niet bereiken wat bereikt moest worden,
in gebreke blijven, mislukken. Het is heel belangrijk ook dit
aspect van de zonde te onderkennen. Zondig zijn betekent
niet alleen het doen van verkeerde dingen. Het houdt ook in
dat je niet bent zoals je eigenlijk had moeten zijn, dat je in
allerlei opzichten faalt en tekort schiet. Ongetwijfeld is dat
gevoel van tekort schieten aanwezig bij alle mensen die zich-
zelf niet door waanideeën van vermeende grootheid een rad
voor ogen draaien.
Het derde woord is ‘awon. Dat houdt zoveel in als: krom
zijn, verkeerd zijn, afbuigen van de goede weg. Dit, meer dan.74
enig ander facet van de zonde, heeft de mens onderworpen
aan het besef van diepe schuld. De apostel Paulus is het klas-
sieke voorbeeld van een mens die vergeefs probeert te begrij-
pen hoe het toch komt dat hij zich zo onweerstaanbaar door
het kwaad voelt aangetrokken. 3 Wij moeten als we eerlijk zijn
ook onszelf weer die vraag stellen: waarom zijn we zoals we
zijn, zo slap, zo gemeen, zo driftig, zo egoïstisch? Waarom doen
we bepaalde dingen steeds weer? Is er in ons een constructie-
fout die er de oorzaak van is dat we steeds weer denken en
doen wat we eigenlijk toch niet willen?
Het laatste woord is remiyyah: bedrog en vooral zelfbedrog.
Ook dat is een belangrijk element van de zonde. Heel gemak-
kelijk kan men ertoe komen zichzelf bepaalde dingen aan te
praten, zodat men op den duur het besef van wat goed en
verkeerd is kwijtraakt en wordt tot een dwaas ‘die wijs is in
zijn eigen ogen’. 4
Grote en kleine zonden?
Volgens Multatuli is er maar één zonde: het gebrek aan hart
of in zuiver christelijke zin, gebrek aan liefde tot God en de
naaste. Had Multatuli gelijk, of zijn er misschien wel 10 mil-
joen verschillende zonden zoals Seth Gaaikema in één van zijn
cabaretprogramma’s suggereerde?
In de Bijbel worden heel veel verschillende zonden onder-
scheiden en met name genoemd. Maar aan de andere kant
worden al deze zonden tot één grondgegeven herleid: zonde is
een gebrek aan liefde voor God en de naaste: zonde is mis-
bruik van de vrijheid die de mens met de schepping meekreeg.
Een vaak gestelde vraag is, of men onderscheid kan maken
tussen grote en kleine zonden. Sinds de tijd van paus Grego-
rius de Grote (504-604) is het de gewoonte om naast de ‘ge-
wone’ zonden zeven ‘hoofdzonden’ of ‘doodzonden’ te onder-
scheiden. De klassieke hoofdzonden zijn: hoogmoed, toorn,
gierigheid, afgunst, onkuisheid, gulzigheid en traagheid. Deze.75
lijst van ‘doodzonden’ heeft de eeuwen doorstaan. Niet alleen
in rooms-katholieke kring werd deze afbakening gehanteerd,
maar ook door de protestanten werd ze min of meer aanvaard.
Misschien spreekt deze lijst van ‘doodzonden’ ons niet meer
zo aan en zouden we eerder ondeugden als wreedheid, onver-
schilligheid, agressie en schijnheiligheid binnen het rijtje plaat-
sen.
Bijbels gezien is het een hachelijke zaak om op deze manier
onderscheid te maken tussen ‘gewone’ zonden en ‘doodzon-
den’. In de Bijbel worden wel gradaties in zonden erkend. Je-
zus zelf zei dat de zonden van Kafarnaüm en Betsaïda nog
groter waren dan die van Sodom en Gomorra 5 en dat de Joodse
Raad erger zondigde dan Pilatus. 6 Het onderscheid maken
tussen grote en kleine zonden is echter geen menselijke aange-
legenheid, maar een zaak van God. Hij alleen kan alles over-
zien; Hij ziet niet alleen de uiterlijke activiteiten, maar kent
bovendien alle achtergronden en verborgen motivaties. Hij
‘doorgrondt en kent’ de mens in alle opzichten. 7 Alleen Hij
kan met zuiverheid bepalen wat een kleine en wat een grotere
zonde is. Maar of een zonde groot of klein is: elke zonde is en
blijft een heel ernstige zaak.
Tegen overheden en machten
Zonde is dus meer dan de overtreding van een wetsartikel.
Wij zijn eigenlijk al met zonde besmet vanaf onze geboorte.
Men heeft daarover allerlei theorieën ontwikkeld. Daarbij valt
dan onvermijdelijk het woord ‘erfzonde’ of, nog nauwkeuri-
ger, ‘erfsmet’, waarmee bedoeld wordt dat we vanaf onze ge-
boorte met een zondige natuur ‘besmet’ zijn. Over deze pro-
blematiek zijn dikke boeken volgeschreven. Wij willen hier
alleen vaststellen dat het een ervaringsfeit is dat we allerlei fun-
damentele onhebbelijkheden bezitten, die als het ware in ons
bestaan zijn ‘ingebakken’.
Maar er is nog iets dat ons opvalt als we nadenken over
zonde. Er zijn een heleboel dingen die we diep in ons hart niet.76
willen. De meeste mensen hebben een afschuw van alle ge-
weld en terreur waarmee de wereld en ook ons land overspoeld
worden. Wanneer men alle bewoners op de aardbol zou vra-
gen of men oorlog wil, zullen de meesten zeggen dat ze oorlog
afgrijselijk vinden. Hoe komt het dan dat we de oorlog niet
kunnen uitbannen? Hoe komt het dan dat we er niet in slagen
van deze wereld een fijner oord te maken? Op deze en soortge-
lijke vragen geeft de Bijbel ook een antwoord. Er is een macht
die voortdurend actief is om de zonde aan te wakkeren en te
stimuleren. In dit verband blijkt vooral de tragische ontoerei-
kendheid van het standpunt van de humanist. Zonde is meer
dan een ‘menselijk tekort’. De zonde vertoont demonische
karaktertrekken. Er is een satan, ‘een mensenmoorder van den
beginne’, 8 die rondgaat als ‘een briesende leeuw’ 9 om na te
gaan ‘wie hij kan verslinden’.
De satan is ‘neergedaald’ op aarde ‘in grote grimmigheid,
wetende dat hij weinig tijd heeft’. 10 Dat maakt de zaak van de
mens uit gezien veel moeilijker dan zij al is. ‘Wij hebben niet
te vechten tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, te-
gen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis,
tegen de boze geesten in de hemelse gewesten’. 11
Uitkomst
Als we de zonde in dit grotere perspectief bezien, zoals hier-
boven geschetst, vliegt de angst ons naar de keel. De zonde
wordt een levensgrote bedreiging. De vraag uit het boek de
Openbaring: ‘Wie kan bestaan?’ 12 dringt zich aan ons op. Maar
toch mogen we de zonde niet alleen zien als een collectieve
bedreiging. In onze tijd wordt dat steeds meer en meer ge-
daan. Men vraagt aandacht voor het onrecht in de wereld; men
spreekt over de zonden van rassenwaan, apartheid, verdeeld-
heid, ongelijkheid, enz.; men heeft het over ‘zondige structu-
ren’, die veranderd moeten worden. Natuurlijk kan niet ont-
kend worden dat zonde in veel gevallen zo’n collectief aspect
heeft. Er zijn inderdaad veel toestanden die om verandering
en verzoening schreeuwen, maar dat neemt niet weg, dat zonde.77
in de eerste plaats een persoonlijk probleem is tussen God en
de individuele mens, tussen God en mij en tussen God en u.
Moet die individuele mens dan verslagen terneer zitten, als
hij ziet hoe hij van alle kanten belaagd en ingesloten wordt
door zijn zonde? Op die vraag geeft het evangelie antwoord.
Het zegt dat er verzoening mogelijk is en dat er bevrijding tot
stand gebracht is door Jezus Christus. Er is een offer gebracht
en op grond van dat offer kan de mens bevrijd worden van
schuld en kan hij gered worden uit zijn heilloze ontoerei-
kendheid. Er is verzoening mogelijk voor de zonde.
Verzoening
Verzoenen wil zeggen dat verschillende partijen die het niet
met elkaar eens kunnen worden, weer bij elkaar gebracht wor-
den; dat de kloof die er was overbrugd is; dat er vrede wordt
gesloten.
Voordat een echtscheiding wordt uitgesproken, wordt ge-
probeerd de twee partijen nog met elkaar te verzoenen. Wan-
neer er conflichten zijn tussen werkgevers en werknemers, moet
er soms een commissie van wijze mannen aan te pas komen
om de partijen te verzoenen. Wanneer volkeren en landen met
elkaar op voet van oorlog leven, proberen andere naties een
bemiddelende rol te spelen en de strijdende partijen te verzoe-
nen.
Die betekenis heeft verzoening ook als we het woord ge-
bruiken in verband met het christelijk geloof. God en de mens
zijn op voet van oorlog geraakt met elkaar. Juister gezegd: de
mens is op voet van oorlog geraakt met God. Er is een enorme
kloof gekomen. De mens moet daarom weer met God ver-
zoend worden.
Grote denkers uit het verleden hebben nagedacht over deze
verzoening tussen God en de mens. Twee heel belangrijke en
bekende benaderingswijzen stammen uit de middeleeuwen..78
Anselmus, de aartsbisschop van Canterbury, schreef in de laatste
jaren van de elfde eeuw zijn beroemde boek ‘Cur deus homo?’
(Waarom God mens werd). Hij probeerde in dit boek de vraag
te beantwoorden waarom Jezus naar de aarde kwam om God
en de mens te verzoenen. Hij stelt vast dat de mens die aan
God onderworpen was zondigde. De mens raakte beladen met
schuld, maar kon die schuld niet betalen. De schuld is onein-
dig, terwijl de mens eindig is. Alleen God kan in een oplossing
voorzien, maar alleen de mens mag de schuld betalen, omdat
hij de schuldige is. Vandaar de komst van de God-mens, Jezus.
Abelardus was een theoloog die ongeveer in dezelfde tijd
leefde. Ook hij dacht na over diezelfde vraag als waarvoor
Anselmus zich gesteld zag. Maar Abelardus benaderde de vraag
op een andere manier. Volgens hem is de mens een slaaf van
zichzelf. Hij is liefdeloos en kwaad. En het probleem is dat hij
moet kunnen liefhebben om gered te worden. Daarom was de
dood van Jezus noodzakelijk. Want wanneer liefdeloze men-
sen beginnen na te denken over het kruis, worden ze zo be-
paald bij de atmosfeer van zelfovergave en liefde dat ze tot in
hun diepste wezen daardoor beïnvloed worden en ook in hen
de mogelijkheid ontluikt om liefde te gaan geven.
Anselmus en Abelardus vertegenwoordigen twee verschil-
lende scholen. Beide theorieën hebben grote waarde. Zij slui-
ten elkaar niet uit. Elk belichten ze een aspect van de godde-
lijke verzoeningsdaad.
Door genade
Hoe meer men zich in het onderwerp verdiept, hoe meer
men ontdekt, dat het onmogelijk is als kleine, beperkte mens
dit grote geheim van de verzoening te doorgronden. Het is
een wonder! Het is het kernthema van het christelijk geloof.
De apostel Paulus geeft dat onomwonden te kennen als hij
aan de christenen in de Griekse stad Korinte schrijft: ‘Ik had
niet besloten iets te weten onder u, dan Jezus Christus en die
gekruisigd’. 13 Wie probeert zijn gedachten over het begrip ver-.79
zoening te formuleren, zal aan verschillende facetten recht
moeten doen. In elk geval zijn er twee heel belangrijke uit-
gangspunten.
Het eerste gegeven is: de zonde van de mens, zijn slecht-
heid; de oneindig diepe kloof tussen de mens en God, die voor
de volle honderd procent het gevolg is van de zonde van de
mens. Het tweede gegeven is, dat het uitsluitend aan God te
danken is dat die kloof overbrugd wordt. Het is alleen door
zijn genade dat de mens behouden is. De verzoening is hele-
maal Gods initiatief.
God en de zonde
Wie over Gods houding tot de zonde spreekt, ziet zich ge-
plaatst voor vier mogelijkheden. In de eerste plaats had God
de mens zo kunnen maken dat deze niet had kunnen zondi-
gen. Dat heeft God niet gedaan. Hij nam weloverwogen het
risico om de mens een vrije wil te geven. Hij wilde niet door
robots gediend worden, maar door mensen die steeds weer uit
eigen vrije wil en uit liefde voor Hem zouden kiezen.
God had natuurlijk ook de zondige mens kunnen vernieti-
gen. Maar ook in dat geval zou goedheid zonder betekenis zijn
geweest, want goedheid verliest alle betekenis als er geen keuze
is tussen goed en kwaad.
In de derde plaats had God zijn handen van de zondige
mens kunnen aftrekken. Het gevolg zou dan zijn geweest dat
de mens zou zijn verdwenen. De zonde is immers per definitie
volkomen destructief.
In de vierde plaats was er de mogelijkheid dat God zó met
de zonde zou handelen, dat de zonde uiteindelijk overwonnen
zou worden.
God heeft voor deze laatste mogelijkheid gekozen. Hij kon
de zonde niet over het hoofd zien, want Hij is heilig. Zonde.80
druist in tegen alles wat Hij is en vertegenwoordigt. Maar Hij
wilde ook niet dat de zondaar in het niets eindigt, want Hij is
liefde. Daarom heeft Hij - om in menselijke woorden te spre-
ken - een plan ontwikkeld, waarbij Hij de zonde niet over het
hoofd hoefde te zien, en toch zou kunnen vermijden dat de
zondaar aan zijn zonden ten onder zou gaan.
Dit goddelijke plan noemt men gewoonlijk het ‘verlossings-
plan’. Het is geen plannetje dat ter elfer ure bij God opkwam.
God wordt niet door de gebeurtenissen overrompeld, zoals dat
bij ons mensen gebeurt. Hij kent geen verleden, heden of toe-
komst. Daarom kan gezegd worden dat Jezus Christus ‘het
Lam is, dat geslacht is, sedert de grondlegging der wereld’. 14
Wat is het beslissende onderdeel van Gods plan? De Bijbel
vertelt het ons in simpele bewoordingen. ‘Het Woord is vlees
geworden’. 15 Of in de woorden van de apostel Paulus: ‘God
was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende’. 16
Hier blijkt tussen twee haakjes het verschil tussen het chris-
tendom en de andere godsdiensten. In het christendom gaat
het niet alleen om bepaalde ‘eeuwige waarheden’, maar het
gaat erom dat God op een bepaald historisch moment iets ge-
daan heeft om de kloof die de mens van Hem scheidde te
overbruggen. God verzoent ons met Zichzelf door het offer
van Christus. Wat dat in diepste wezen betekent zullen we
nooit helemaal kunnen vatten. Maar een paar dingen zijn dui-
delijk. Als we het kruis van Golgota bezien, ontdekken we dat
de zonde inderdaad voert tot vernietiging van het allerhoogste
en allerbeste. Maar we zien ook het wonder, dat deze zelfde
gebeurtenis, die zo duidelijk het verschrikkelijke van de zonde
openbaart, tegelijkertijd een openbaring is van Gods totale
liefde.
Op Golgota blijkt wat het uiteindelijke resultaat van de
zonde is: een volstrekt zondeloos Wezen wordt door de men-
sen ter dood gebracht. Maar op hetzelfde moment blijkt ook
wat het uiteindelijke resultaat is van Gods liefde: een zonde-
loos Wezen sterft vrijwillig als plaatsvervanger van de mens..81
Wie had, als we naar het offer van Jezus Christus kijken,
gelijk, Anselmus of Abelardus? Zou het niet juister zijn om
hun ideeën met elkaar te verbinden? Want inderdaad, Anselmus
had gelijk: Christus is onze plaatsvervanger. Hij werd mens
om voor ons de zaak weer met God in orde te brengen. Maar
ook naar Abelardus’ stem moeten we luisteren. Want wie de
liefde ziet die in Christus openbaar wordt, kan niet anders dan
deze liefde weerspiegelen. Wie in Christus verzoend is, zal ook
zelf, overal waar dat mogelijk is, verzoening proberen te be-
werkstelligen.
1. 1 Johannes 3:4.
2. Matteüs 5:28.
3. Zie Romeinen 7:15-25.
4. Spreuken 28:11.
5. Matteüs 11:20.
6. Johannes 19:11.
7. Psalm 139:1.
8. Johannes 8:44.
9. 1 Petrus 5:8.
10. Openbaring 12:12.
11. Efeziërs 6:12.
12. Openbaring 6:7.
13. 1 Korintiërs 2:2.
14. Openbaring 1:14.
15. Johannes 1:14.
16. 2 Korintiërs 5:19..82
HET EINDE VAN DE DOOD
Sommige oude kerkhoven zien er vriendelijk en haast ro-
mantisch uit, zodat je tussen de verweerde zerken door-
wandelend vergeet dat je je op een dodenakker bevindt. Ik
slenterde eens in een Engels stadje, zo’n honderdvijftig kilo-
meter ten noorden van Londen. Ik kwam langs een oude kerk.
Het was nog vroeg en de kerk was nog niet open, maar het
kerkhof wel. Omdat ik geen haast had, wandelde ik rustig tus-
sen de stenen door en las ik de ingebeitelde, soms haast on-
leesbaar geworden namen. Ik kwam bij een familiegraf met
twee zerken naast elkaar. Bij het lezen van de vijf namen op
deze grafstenen, besefte ik dat ik stond bij het monument van
een drama dat zich bijna honderd jaar geleden had afgespeeld.
Uit de opschriften en de data bleek dat onder deze zerken een
man begraven lag die binnen tien jaar zijn vrouw en zijn drie
dochters naar dit kerkhof had gebracht, voordat zijn eigen le-
venloze lichaam na ruim vijftig levensjaren er ook naar toe
gedragen was. Wat een verdriet moet zo iemand hebben ge-
kend: jong weduwnaar worden en drie dochters moeten ver-
liezen!
Maar zo’n drama is geen uitzondering. De dood slaat in zo
veel mensenlevens onbarmhartig toe. Nog jonge mensen ster-
ven aan kanker. Kinderen raken hun ouders kwijt door een
verkeersongeluk, of andersom. Mannen in de kracht van hun
leven worden plotseling geveld door een hartinfarct. We we-
ten het allemaal: de dood is een grimmige realiteit.
Zelf ontdekte ik dat al op tienjarige leeftijd, toen ik mee-
ging om mijn twee jaar jongere broertje weg te brengen naar
het dorpskerkhof. Een paar jaar later stonden we weer op die-
zelfde plaats, dit keer om mijn vaders kist langzaam weg te
zien zakken..83
De meeste mensen hebben deze ervaringen. Vrienden die
er plotseling niet meer zijn; een man of een vrouw die je moet
missen; je ouders of je kinderen die van je worden weggerukt.
De dood is een onontkoombaar gegeven. De hele natuur
maakt ons dat duidelijk. Planten en dieren zijn eraan onder-
worpen, maar natuurlijk treft de menselijke dood ons het meest.
Het vreemde is dat wij als moderne mensen er zoveel moeite
mee hebben om deze harde werkelijkheid onder ogen te zien!
De dood is er, we weten het, maar we willen er het liefst niet te
veel aan herinnerd worden. Vroeger waren mensen vertrouwd
met de dood. Men stierf meestal thuis, met de familie rond
het sterfbed. De overledene werd thuis opgebaard en van huis
uit begraven. De begraafplaats was meestal bij de kerk, mid-
den in de plaats. Buren hielpen bij het dragen van de baar.
Nu sterft men in een ziekenhuis, eenzaam in een klein ka-
mertje, versuft door medicijnen. Velen willen een dode niet
meer zien voor ze komen naar de begrafenis of crematie, ge-
beurtenissen die steeds efficiënter verlopen en waarbij alle
mogelijke moeite wordt gedaan om de allerscherpste kantjes
te verzachten. De grond uit het gedolven graf wordt soms met
kunstgras afgedekt. Men laat de kist dikwijls pas zakken als de
familie al vertrokken is.
Zelfs praten over de dood is een taboe. Heel veel mensen
sterven onvoorbereid, omdat niemand de patiënt vertelde hoe
ernstig zijn toestand was. Gelukkig beginnen er allerlei initia-
tieven te ontstaan om mensen in de laatste fase van hun leven
te helpen. Men praat over een betere stervensbegeleiding. Het
is tragisch dat het zover heeft moeten komen.
Maar, of wij de dood proberen weg te stoppen of niet, hij is
er! En de dood treft ons allemaal. ‘De dagen onzer jaren, daarin
zijn zeventig jaren, en, indien wij sterk zijn tachtig jaren’. 1 Zo
was het en zo is het. We moeten met die dood in het reine zien
te komen en kunnen niet net doen alsof die niet bestaat..84
Ver driet mag
Laten we om te beginnen dit vaststellen: we mogen treuren
als we met de dood geconfronteerd worden. Sommige mensen
denken dat het onchristelijk is om te huilen, omdat dit een
gebrek aan geloof zou zijn. Anderen menen dat je er het beste
aan doet om je te vermannen. Je moet vechten tegen je tranen.
Je moet hard zijn voor jezelf en je verdriet wegschuiven en
meteen overgaan tot de orde van de dag. Dat is niet juist. Een
mens mag zijn emoties best naar buiten laten komen. Blij zijn
en verdriet hebben zijn puur menselijke gevoelens. Ongeluk-
kig degene die nooit echt blij kan zijn, nooit spontaan kan
lachen en nooit opgewonden kan raken van vreugde. Maar
even ongelukkig is degene die niet kan treuren als daar aanlei-
ding toe is, die niet kan of durft te huilen als er een plotselinge
leegte ontstaat, doordat de dood heeft toegeslagen. Van Jezus
wordt verteld dat Hij oog in oog kwam te staan met de dood
van zijn vriend Lazarus. En hoewel Jezus over de dood heen
kon zien, barstte Hij toch in tranen uit. ‘Jezus weende’, 2 staat
er in de kortste tekst die we in de Bijbel vinden.
De dood is geen vriend, ook al proberen sommige dichters
dat in hun verzen wel eens te suggereren. Soms wordt de dood
inderdaad verwelkomd als een vriend, bijv. na een lange pe-
riode van afschuwelijk, haast mensonterend lijden. Maar dat
laat ons alleen maar zien, hoe groot de ellende in onze wereld
kan zijn, als zo’n vijand als de dood voor een vriend kan wor-
den aangezien.
De laatste vijand
In diepste wezen is de dood met recht een vijand. Dat is de
onopgesmukte taal van de Bijbel: ‘De laatste vijand, die ont-
troond wordt, is de dood’. 3 De dood hoort eigenlijk niet in
deze wereld thuis. De dood is een indringer, die pas zijn kille
gelaat kon tonen, nadat de satan er met zijn listen in was ge-
slaagd de mens van God af te troggelen. De Griekse wijsgeer.85
Socrates werd veroordeeld tot het drinken van de gifbeker. Hij
zag niet tegen het moment van zijn dood op. Hij verwelkomde
die zelfs en wilde niet dat mensen, zelfs niet zijn vrouw, hem
op het laatste moment lastig zouden vallen. Voor hem leek de
dood een vriend. Maar wie de christelijke visie op de dood wil
kennen, moet eens letten op de laatste momenten die Jezus
doormaakte, voordat Hij aan het kruis uitriep: ‘Het is vol-
bracht’. 4 Een aantal uren voor dat ogenblik lag Hij in doods-
nood geknield, zweette Hij bloed en riep Hij hartverscheu-
rend uit: ‘Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze beker
Mij voorbijgaan!’ 5 Jezus zag de dood in het gezicht - de ont-
kenning van het leven, de totale godverlatenheid.
Wat gaat er dood?
De klassieke christelijke leer ging ervan uit dat de mens be-
staat uit een lichaam en een ‘ziel’. Soms werd daarbij ook een
derde component genoemd, de ‘geest’, maar het verschil tus-
sen het begrip ‘ziel’ en het begrip ‘geest’ bleef over het alge-
meen nogal mistig. Eeuwen lang hebben tientallen generaties
christenen meestal geloofd, dat er zoiets was als een ‘onsterfe-
lijke ziel’, iets onzichtbaars, dat zich kan losmaken van het
sterfelijke, stoffelijke omhulsel. Om die ‘ziel’ ging het! Het
lichaam was eigenlijk maar bijzaak. Het lichaam was immers
slechts stof dat tot stof terugkeerde. Maar de ‘ziel’ verdween
op het moment dat de laatste adem werd uitgeblazen, onzicht-
baar naar de hemel of naar de hel (of naar het vagevuur). Nog
steeds zijn er christenen die dat geloven. Maar hun aantal wordt
kleiner. Want meer en meer gaat men inzien dat dit een stand-
punt is dat men niet ‘hard’ kan maken met de Bijbel in de
hand. De zgn. ‘onsterfelijke ziel’ is een idee die regelrecht uit
de Griekse filosofie stamt en die volstrekt zonder enige bij-
belse basis ingeburgerd is geraakt in de christelijke geloofsleer.
Wanneer we in onze Nederlandse bijbelvertaling het woord
‘ziel’ tegenkomen, moeten we beseffen dat dit een weergave is
van een aantal Hebreeuwse en Griekse woorden dat een enorme.86
scala van betekenissen kan hebben. Soms gaat het om de aan-
duiding van de totale mens (zoals wij ook wel zeggen dat een
stad honderdduizend zielen heeft, d.w.z. mensen en dus geen
onsterfelijke, onzichtbare, materieloze verschijningen). Soms
gaat het om het innerlijk van de mens, zijn emoties en ge-
voelsleven. Op andere plaatsen wordt het zelfs gebruikt in ver-
band met dieren, of als aanduiding van het menselijke bloed. 6
Maar nooit kan men in de Bijbel het begrip ‘ziel’ terugvinden
in de betekenis van een onsterfelijk iets dat los van het lichaam
kan bestaan, tenzij men van te voren het standpunt heeft inge-
nomen dat het begrip ‘ziel’ zo moet worden verklaard en men
daarna allerlei teksten in die richting probeert te wringen.
De Bijbel geeft aan dat de mens een eenheid is. Lichaam,
‘geest’ en ‘ziel’ (wat men daaronder ook moet verstaan) zijn
een eenheid. Ze zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dat
is een feit dat een enorme reikwijdte heeft. In één keer wordt
een streep gehaald door de gedachte dat het lichaam van de
mens onbelangrijk is. Daarover komen we nog nader te spre-
ken in hoofdstuk negen. En dit is ook beslissend als we de
vraag stellen wat er nu eigenlijk gebeurt als we doodgaan. De
gedachte dat ons lichaam verteert, terwijl onze ziel voortleeft,
kunnen we voorgoed vergeten. Wie doodgaat, gaat helemaal
dood! Niet alleen het lichaam sterft, maar de gehele mens.
Wat is de dood?
Het bijbelse antwoord op de vraag wat er precies gebeurt
bij de dood, krijgen we alleen als we de hele Bijbel er systema-
tisch op nalezen en niet als we hier en daar wat losse teksten
uit hun verband peuteren. Het woord ‘slaap’ wordt dikwijls
gebruikt om de dood te karakteriseren. 7 De dood is kennelijk
een toestand van volkomen onbewustzijn. ‘De doden weten
niets’. 8 Een hele rij bijbelteksten kan worden genoemd om dit
te onderstrepen. 9 En nergens is er de hoop dat de ‘onsterfelijke
ziel’ uit de kerker van het lichaam breekt om zich te spoeden
naar zijn eeuwige bestemming. De profeet Daniël kreeg te.87
horen hoe de werkelijke gang van zaken is: ‘Maar gij, ga het
einde tegen, en gij zult rusten en opstaan tot uw bestemming
aan het einde der dagen’. 10 Dat is de bijbelse lijn. Natuurlijk
zijn er een paar vaak geciteerde teksten die ogenschijnlijk een
andere interpretatie toestaan, maar het is een onveilige manier
van bijbeluitleg om een paar moeilijke teksten te gebruiken als
basis voor een theorie die door tientallen andere, overduide-
lijke teksten, die voor geen tweeërlei uitleg vatbaar zijn, wordt
weersproken. 11 De mens is stof en keert terug tot stof. Dood is
dood!
Hoop
Nergens in de Bijbel wordt de hoop geboden dat men de
dood kan ontlopen, doordat de ‘ziel’ bij de dood onmiddellijk
naar de hemel gaat. De bijbelse hoop is de hoop van de op-
standing uit de dood. Omdat we die hoop hebben, krijgt onze
droefheid een andere dimensie. We treuren wel als we oog in
oog staan met de dood, maar wij zien achter de duisternis van
de scheiding, achter de leegte, het licht gloren van herleven en
hereniging. 12 De wederkomst van Jezus is, dat zagen we al, een
van de meest in het oog springende thema’s van het Nieuwe
Testament. Onlosmakelijk daarmee verbonden is de opstan-
ding uit de dood. ‘De Here zelf zal . . . nederdalen van de
hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst
opstaan’. 13 Jezus zelf had het ook al gezegd: ‘. . . de ure komt,
dat allen die in de graven zijn . . . zullen uitgaan, wie het goede
gedaan hebben tot de opstanding ten leven, wie het kwade
bedreven hebben, tot de opstanding ten oordeel’. 14
We staan hier natuurlijk voor een enorm raadsel. De op-
standing, kan dat eigenlijk? Mensen sterven. Lichamen gaan
over tot ontbinding. Graven verdwijnen. As van gecremeerde
lichamen wordt uitgestrooid over de zee. Als kind zag ik in
mijn kinderlijke fantasie het moment van de opstanding met
grafzerken die langzaam maar zeker omhoog werden gedrukt.88
door de tot leven gekomen overledenen die nu opgewekt (in
de dubbele betekenis van het woord!) hun hoofd om de hoek
staken. Maar het probleem ligt wel wat gecompliceerder. De
opstanding uit de dood is feitelijk een nieuwe schepping. De
mens die tot stof vergaan is wordt opnieuw geschapen. De
nieuwe mens bestaat niet uit dezelfde materie als waaruit hij
voor zijn dood was opgebouwd. (Wij bestaan trouwens nu
geen van allen uit dezelfde stof als waaruit we enkele jaren
geleden bestonden). Bij de opstanding is er een totaal nieuwe
mens. Maar wel dezelfde mens. De identiteit, de persoonlijk-
heid, alles wat die mens maakte tot juist die mens, is bewaard
gebleven. Hoe? Dat is Gods geheim. Maar het is geen pro-
bleem van betekenis als we er echt van uitgaan dat we te ma-
ken hebben met een oneindige, alwetende, almachtige God.
Er is wel een radicaal verschil tussen die nieuwe, uit de dood
opgestane, herschapen mens, en diezelfde mens in zijn vorig
bestaan. De doden zullen namelijk ‘onvergankelijk’ 15 worden
opgewekt. Nu lopen we vanaf onze geboorte met de dood in
de schoenen. Nauwelijks zijn we ‘volwassen’ of we beginnen al
weer af te takelen. Dat is dan anders. Alles wat aan dood, afta-
keling, ziekte, pijn en ellende herinnert is voorbij. 16 Dat wil
het zeggen als er staat: ‘Dit vergankelijke zal onvergankelijk-
heid aandoen en dit sterfelijke onsterfelijkheid’. 17
Maar . . .
Maar hoe zit dat dan allemaal? Zal ik straks uiterlijk lijken
op wat ik nu in de spiegel zie? Als ik op middelbare leeftijd
zou sterven, word ik dan opgewekt als iemand van om en na-
bij de vijftig? Of kom ik terug in een verjongde uitgave van zo
rond de dertig? Staat iemand die als kind gestorven is op als
kind? Om daarna verder te groeien? En zo ja, tot hoever gaat
dat groeiproces dan? Hebben alle mensen ‘straks’, één en de-
zelfde huidskleur, of hebben we te maken met onverganke-
lijke Chinezen, onsterfelijke negers en eeuwig levende blan-
ken? Zijn alle herschapen mensen even intelligent? Zo zijn er
nog legio vragen te bedenken. Vragen zonder antwoorden. We.89
krijgen hoegenaamd geen informatie om onze nieuwsgierig-
heid te bevredigen en als al een heel klein tipje van de sluier
wordt opgelicht, ontdekken we, dat kennelijk in die toekom-
stige situatie het man-zijn en het vrouw-zijn op een andere
manier functioneert dan nu. 18 (Voor sommigen die slechte er-
varingen in hun huwelijks- of liefdesleven hebben opgedaan is
dat misschien een troost, maar voor de meesten is het op het
eerste gezicht toch wel een teleurstelling).
Het heeft niet zoveel zin om te speculeren over het ‘hoe’
van de opstanding. Het gaat om een zo totaal andere situatie,
dat wij ons er eenvoudigweg geen enkele voorstelling van kun-
nen maken. Elke tekening zou een caricatuur worden. Maar
dat maakt de hoop niet minder belangwekkend en niet min-
der levend. Er is hoop! Er is uitzicht! Alles eindigt niet in het
niets! Ons bestaan heeft zin! Zonder uitzicht op de opstan-
ding, op leven na dit korte bestaan op aarde, zou het christe-
lijke geloof vrijwel alle betekenis verliezen. Alles wat zou over-
blijven is: Maak er van wat er van te maken valt! De fatalist,
zelfs de atheïstische nihilist, zou daarmee het gelijk aan zijn
kant krijgen. Gelukkig staan de zaken er anders voor. De dood
is een grimmige realiteit, maar de dood is overwonnen. Er is
Eén die sterker is dan de dood. Hij staat er garant voor dat er
na dit leven nog iets komt. Hij schrijft achter ons levensver-
haal met grote letters: ‘Wordt vervolgd’, terwijl wij alleen maar
‘Einde’ hadden kunnen zetten.
In twee groepen
Wij delen de mensen om ons heen in in groepen en klassen:
de lagere klasse, de middenklasse en de hogere klasse; intellec-
tuelen en niet-intellectuelen; welgestelden en niet- of minder-
welgestelden; geschoolden en ongeschoolden, enz. God kent
al dit hokjes waar wij anderen en ook onszelf zo gemakkelijk
in plaatsen niet. Hij kent maar één onderscheid, niet geba-
seerd op beroep, opleiding, status of salaris, maar op het ver-.90
schil tussen geloof en ongeloof. Dat geeft bij Hem uitsluitend
de doorslag: of iemand Hem dient en gehoorzaamt, of Hem
afwijst en niet naar Hem luistert.
Waarom moet dat in dit verband worden opgemerkt? Om-
dat dit verschil dat God maakt bij de opstanding een heel be-
langrijke rol speelt. De opstanding speelt zich namelijk in twee
fasen af. Er is een ‘opstanding ten leven’ en een ‘opstanding
ten oordeel’. 19 Dat wil zeggen dat die ene gebeurtenis simpel-
weg twee kanten heeft. Er is een tijdsverschil tussen die ‘op-
standing ten leven’ en die ‘opstanding ten oordeel’. De apostel
Paulus zegt nadrukkelijk dat degenen die ‘in Christus gestor-
ven zijn’ het eerst zullen opstaan. 20 En als we nog duidelijker
geïnformeerd willen zijn, dan vertelt het laatste bijbelboek ons,
dat er tussen die eerste opstanding van de gelovigen en de ‘op-
standing ten oordeel’ (dus van de ongelovigen) duizend jaar
zullen verstrijken. ‘De overige doden werden niet weder le-
vend voordat de duizend jaren voleindigd waren’. 21 Natuurlijk
is het zaak om bij die eerste opstanding te horen: ‘Zalig en
heilig is hij die deel heeft aan de eerste opstanding: over hem
heeft de tweede dood geen macht’.
De laatste generatie
De ‘opstanding ten leven’ vindt plaats als Christus terug-
komt naar onze aarde. Er zal dus een generatie zijn die de komst
van Jezus Christus zal meemaken (wij? of de volgende genera-
tie?). Wat gebeurt er met de mensen die hun leven lang naar
die geweldige gebeurtenis hebben uitgezien en er dan plotse-
ling mee geconfronteerd worden? Paulus hoopte al dat hij tot
die gelukkige generatie zou behoren. Hij schreef: ‘Allen zullen
we niet ontslapen, maar allen zullen we veranderd worden, in
een ondeelbaar ogenblik, bij de laatste bazuin, want de bazuin
zal klinken en de doden zullen onvergankelijk opgewekt wor-
den en wij zullen veranderd worden’. 22
Bij een andere gelegenheid herhaalt deze zelfde apostel dat
degenen die op het moment van de wederkomst in leven zijn,.91
zullen delen in het lot van degenen die in onvergankelijkheid
uit de dood opstaan. 23 Maar helaas zullen er ook mensen zijn
die niet naar de terugkeer van Christus hebben verlangd, maar
er de spot mee hebben gedreven, of er gewoonweg niet aan
hebben willen denken. Als het laatste uur slaat is er voor hen
geen kans meer op behoud. Hun paniek is dan zo groot dat ze
zich richten tot de bergen en tot de rotsen en uitroepen: ‘Valt
op ons en verbergt ons voor het aangezicht van Hem, die geze-
ten is op de troon. . .’, want ‘wie kan bestaan?’ 24
Deze mensen worden niet in dat ondeelbare ogenblik ver-
anderd. Hun wacht slechts de ondergang - de dood. Uit deze
dood is geen terugkeer meer mogelijk. Het is de tweede dood,
de eeuwige vernietiging. Elk leven dat niet afgestemd blijkt te
zijn op de Bron van eeuwig leven eindigt onherroepelijk in
deze dood.
Bestaat er een hel?
Het is in zeker opzicht fascinerend om aan de hand van de
bijbelse gegevens een schematisch overzicht op te bouwen van
alle gebeurtenissen die met de wederkomst van Jezus en met
de opstanding uit de dood samenhangen. Ik kan daar zelf toch
niet zoveel enthousiasme voor opbrengen. De grote werkelijk-
heid van Gods daden laten zich niet in handige schema’s vat-
ten. In plaats van wegen tot dieper inzicht worden schemati-
sche overzichten al gauw tot karikaturen. Waarom zouden we
trouwens dit hachelijke werk van het opstellen van een soort
‘dienstregeling van de eindtijd’ ondernemen? Mijn belangstel-
ling voor het hoe en het wanneer van allerlei details is nogal
beperkt. Als gelovig mens interesseert mij eigenlijk maar één
ding: Er is een toekomst. God garandeert degenen die voor
het geloof in Hem en zijn Zoon Jezus Christus gekozen heb-
ben, een leven na dit leven. Er komt een vervolg, maar dan op
hoger plan, onvergankelijk, onsterfelijk! Maar dat vervolg -
dat kan men niet genoeg met klem herhalen - komt niet van-
zelf en zomaar voor iedereen. Er moet een keuze worden ge-
maakt. Een keuze met eeuwige gevolgen..92
Dat zelfde gebrek aan interesse heb ik ook als het gaat om
de vraag of er nu echt zoiets bestaat als een eeuwig brandende
hel. (Of er een vagevuur bestaat, is een vraag die zelfs de meeste
katholieken niet meer zonder meer met ‘ja’ durven beantwoor-
den.) Het eeuwig brandend hellevuur was eeuwenlang een
schrikbeeld. Onvermoeibaar preekte de geestelijkheid hel en
verdoemenis om de toehoorders zo bang te maken dat ze er
niet meer aan durfden denken iets te doen dat tegen de uitge-
stippelde wens van de kerk inging.
Dat er een oordeel komt staat vast. 25 God maakt uit wie
behouden worden en wie niet, of, om te spreken in de termen
die we in dit hoofdstuk gebruikten, wie deel heeft aan de ‘eer-
ste opstanding’ en wie niet. Maar wat gebeurt er dan met de-
genen die ernaast grijpen? Ik behoef dat niet zo precies te we-
ten. Ik ben vast van plan niet bij deze groep te behoren. Ik heb
de keus gemaakt bij God te behoren en bid of ik Hem trouw
mag blijven.
Maar toch een korte opmerking om de nieuwsgierigheid
van sommigen te bevredigen. Hoewel er enkele bijbelteksten
zijn die op het eerste gezicht de indruk wekken dat er een
eeuwig brandend vuur is waar alle tegenstanders van God eeu-
wig zullen branden, 26 levert een nauwgezette vergelijking van
alle bijbelse informatie een andere conclusie op: de straf voor
de ongelovige is eeuwig in die zin, dat deze onherroepelijk,
onomkeerbaar is. 27 Een beter woord dan ‘tweede dood’ 28 is er
eigenlijk niet. De weg van God af eindigt in het niets. Gelo-
ven in God en leven in afhankelijk vertrouwen in Hem is le-
ven in de volle zin van het woord, nu en in de eeuwige toe-
komst.
Een dikke streep
Aan het einde van dit hoofdstuk over dood en opstanding
moeten nog een paar dingen worden toegevoegd. Als hierbo-
ven de bijbelse visie op de dood correct is weergegeven (en dat.93
moet men na een onbevooroordeelde overweging van alle fei-
ten wel aannemen), heeft dat nogal ingrijpende gevolgen voor
een aantal denkbeelden die grote groepen mensen erop na-
houden.
1. Als iemand sterft, leeft niet een deel van hem op de een
of andere wijze onmiddellijk voort. Dat wil in elk geval zeggen
dat men na de dood geen kans meer heeft om zich eventueel
nog te ‘bekeren’. 29 Bij de dood is het lot van elk mens beze-
geld. Het volgende moment dat hij meemaakt is de opstan-
ding (‘ten leven’ of ‘ten oordeel’).
2. Als er geen ‘onsterfelijke zielen’ zijn die naar de hemel
gaan, zijn er geen heiligen in de hemel die wij kunnen aanroe-
pen om voor ons voorbede te doen bij God. Overigens is de
gedachte dat mensen zouden kunnen bemiddelen tussen ons
en God in strijd met de allesoverheersende plaats van Christus
als de enige Middelaar. 30
3. Als er geen bewustzijn is in de dood, kan een definitieve
dikke streep worden gehaald door de beweringen van spiritis-
ten, dat contact met de geesten van gestorvenen mogelijk zou
zijn. Wat er ook gebeurt als spiritistische mediums hun oc-
culte werkzaamheden bedrijven (en dat er vreemde dingen
kunnen gebeuren valt niet te ontkennen), in elk geval zijn er
geen contacten met ‘zielen’ van overledenen, maar moet er een
andere verklaring zijn voor deze dingen. Ook deze conclusie
krijgt steun van allerlei bijbelse uitspraken, waarin spiritisme
ronduit en hartgrondig wordt veroordeeld. 31
1. Psalm 90:10.
2. Johannes 11:35.
3. 1 Korintiërs 15:26.
4. Johannes 19:30.
5. Matteüs 26:39; zie ook Marcus 14:36 en Lucas 22:42.
6. Voor ‘ziel’ als aanduiding van de totale mens, zie b.v. Genesis 2:7.
De Statenvertaling gebruikte het woord ‘ziel’, de Nieuwe vertaling ver-
ving dit terecht door het begrip ‘levend wezen’..94
Voor het gebruik van het woord ‘ziel’ in verband met emoties, zie b.v. 2
Samuël 5:8 (Statenvertaling) of Marcus 14:34. In o.a. Deuteronomium
12:23 wordt een verband gelegd tussen het bloed en de ‘ziel’.
7. Zie b.v. 1 Korintiërs 15:21; 1 Tessalonicenzen 4:13, 14; Johannes 11:11;
Job 14:12; Job 3:11.
8. Prediker 9:5, 10.
9. Zie b.v. Job 14:12; Psalm 115:17; Psalm 146:4.
10. Daniël 12:13.
11. Vaak wordt in dit verband verwezen naar de gelijkenis van de rijke man
en de arme Lazarus (Lucas 16:19-31). Daaruit zou moeten blijken dat
de arme man direct na zijn dood zich in het gezelschap van Abraham
bevindt. Die conclusie kan men echter alleen trekken als men een gelij-
kenis beschouwt als een gedetailleerde historische mededeling. Het is bij
een zeer oppervlakkige lezing al duidelijk dat men, door zo te werk te
gaan, op allerlei punten in grote moeilijkheden komt. Deze gelijkenis is
geen verhandeling over wat er na de dood precies met een mens ge-
beurt, maar is een les om duidelijk te maken dat de beslissing over onze
eeuwige toekomst in dit leven valt. Om die les over te brengen maakte
Jezus gebruik van een thema dat de joden in zijn dagen welbekend was.
Een andere tekst die vaak geciteerd wordt om te bewijzen dat de ziel van
een mens direct na het sterven naar zijn uiteindelijke bestemming gaat
is Lucas 23:43. Daar lezen we Christus’ uitspraak tegen één van de mis-
dadigers die tegelijk met Hem gekruisigd werden: ‘Voorwaar, Ik zeg u,
heden zult gij met Mij in het paradijs zijn’. Het probleem in deze tekst
is de komma, die evengoed achter ‘heden’ als ervoor geplaatst mag wor-
den. Die komma is namelijk niet oorspronkelijk. In de Griekse taal kende
men dat leesteken niet.
Andere bijbelteksten zoals 2 Korintiërs 5:1-9; Openbaring 6:9, 10 en
Hebreeën 12:23 worden ook dikwijls aangevoerd. Een goede uitleg van
deze soms wat raadselachtig aandoende teksten kan men vinden in uit-
gebreidere boeken over deze problematiek. Zo kan bijv. verwezen wor-
den naar het wat oudere, maar op dit punt zeer volledige werk van Ds.
F.J. Voorthuis: ‘Vanwaar, Waartoe, Waarheen’, (Uitgeverij Veritas, Huis
ter Heide) of naar ‘Sterven en dan’, door Ds. B. Telder (Kok, Kampen).
12. 1 Tessalonicenzen 4:13.
13. 1 Tessalonicenzen 4:16.
14. Johannes 5:28.
15. 1 Korintiërs 15:42.
16. Openbaring 21:1-5.
17. 1 Korintiërs 15:53.
18. Lucas 20:34, 35.
19. Johannes 5:28.
20. 1 Tessalonicenzen 4:16; zie ook 1 Korintiërs 15:23.
21. Openbaring 20:5.
22. 1 Korintiërs 15:52.
23. 1 Tessalonicenzen 4:17.
24. Openbaring 6:16..95
25. Hebreeën 6:2; 9:27; Openbaring 14:7; enz.
26. Bijvoorbeeld Matteüs 25:41; Judas 7; Openbaring 14:11.
27. De volledigheid en beslistheid van de vernietiging van de goddelozen
blijkt heel duidelijk uit teksten als Maleachi 4:1-3; 2 Tessalonicenzen
1:6-9; 2 Petrus 3:10-12.
28. Openbaring 20:6.
29. Dat is de strekking van o.a. de gelijkenis van de rijke man en de arme
Lazarus (zie noot nr. 11). Overigens wordt steeds aangedrongen op een
onmiddellijke keuze, vgl. Jozua 24:15.
30. 1 Timoteüs 2:5.
31. Zie bijvoorbeeld Leviticus 20:27; Deuteronomium 18:10-14; 1 Kro-
nieken 10:13 en vooral Jesaja 8:19..96
LEVEN MET DE HEMEL IN DIENST
VAN DE WERELD
Iemand zei eens: ‘Ik zou best verlost willen zijn, als de chris-
tenen er wat verloster uitzagen’. Daarmee werd onder woor-
den gebracht wat bij heel veel mensen leeft: christenen moe-
ten waarmaken wat ze zeggen! Ze moeten tonen dat ze anders
zijn! In de praktijk blijken veel christenen echter nogal tegen
te vallen. ‘Zo iemand noemt zich nu een christen!’ is een dik-
wijls gehoorde opmerking.
‘Twintig eeuwen christendom en wat hebben de christenen
ervan gemaakt?’ is een andere beschuldiging die vaak geuit
wordt. En hoewel het heel gemakkelijk is met een witz daarop
te antwoorden: ‘Zeep werd al eeuwen geleden uitgevonden en
toch zijn er nog heel wat vuile mensen’, ontzenuwt men daar-
mee toch niet de constatering dat individuele christenen en
ook de kerkgemeenschappen in het algemeen lang niet altijd
in de praktijk brengen wat men predikt.
Bijzondere mensen
Soms zegt men dat het niet reëel is van christenen iets bij-
zonders te verwachten. Die opvatting is totaal onjuist. Men
mag wél iets bijzonders verwachten van mensen die zeggen
dat zij het voorbeeld van Jezus Christus willen navolgen. Niet
dat die mensen zonder fouten en gebreken zijn en verschoond
zijn van alle onhebbelijkheden. Maar toch moet er iets speciaals
zijn aan deze mensen, dat als een vonk moet overspringen.
Want christen-zijn is meer dan een goed mens zijn. Chris-
ten-zijn betekent dat men leeft in een andere dimensie; dat er
iets aan het leven wordt toegevoegd, dat zich heel moeilijk laat
benoemen, maar toch aanwezig is en door andere mensen wordt.97
bespeurd. Dat dit bijzondere ‘iets’ zo vaak niet overkomt, doet
niets af aan deze bewering, maar onderstreept alleen maar dat
er kennelijk christenen zijn die eigenlijk niet die naam zouden
mogen dragen.
Tweemaal geboren
Geloven is meer dan het onderschrijven van een aantal stel-
lingen over God, de Bijbel, Jezus Christus, enz. Hoe belang-
rijk het ook is om aan de hand van de Bijbel en met behulp
van ons gezonde verstand te proberen enige ordening te bren-
gen in onze denkbeelden over deze belangrijke onderwerpen,
toch is dat bij lange na niet voldoende. Er moet in het inner-
lijk van de mens iets plaatsvinden, wil hij zichzelf met recht
een christen, d.w.z. een volgeling van Christus, kunnen noe-
men. Wat moet er in ons hart gebeuren? Het valt niet mee dat
in woorden uit te drukken. Jezus zelf probeerde dit eens dui-
delijk te maken aan Nikodemus, een geestelijk leider van zijn
dagen. Tegen deze man zei Jezus: ‘Ik zeg u, tenzij iemand we-
derom geboren wordt, kan hij het Koninkrijk Gods niet zien’. 1
Jezus maakte in dit gesprek met Nikodemus een onderscheid
tussen ‘uit vlees’ geboren zijn en ‘uit de geest’ geboren zijn.
Wat met dat eerste bedoeld wordt is wel duidelijk. Wat met
dat laatste, in Gods oog beslissende, wordt bedoeld, klinkt op
het eerste gezicht nogal raadselachtig. Maar het is wel duide-
lijk dat Jezus doelt op een extra dimensie die het leven krijgt,
wanneer men zich helemaal op de zaak van God concentreert.
Nikodemus, knap als hij was, begreep er niets van. Maar in
zijn uitleg ging Jezus niet verder dan de vergelijking te maken
tussen het waaien van de wind en deze gebeurtenis. In die tijd
wist men niet hoe het waaien van de wind verklaard moest
worden, maar men kon wel de kracht ervan ervaren. Zo kan
ook de herkomst van die extra dimensie niet op verstandelijke
wijze worden verklaard. Maar de gevolgen zijn daarom niet
minder reëel.
Wat Jezus met Nikodemus besprak wordt meestal aange-
duid met het woord ‘wedergeboorte’. In de loop van de eeu-.98
wen zijn de woorden van Jezus ontelbare malen bewaarheid
geworden. Miljoenen mensen hebben ervaren dat de ‘weder-
geboorte’ een feit is. Wie zich ‘aan Christus overgeeft’ en het
avontuur van het geloof begint, ontdekt dat er meer aan vast
zit dan een wilsbeslissing om anders te gaan leven. Van bin-
nenuit ervaart men, dat men nu anders in het leven staat en
dat allerlei dingen een nieuwe betekenis hebben gekregen; dat
men vreugde ondervindt in die nieuwe manier van leven en
dat men er kracht voor krijgt. Met recht kan gezegd worden
dat een christen een ‘nieuwe mens’ is.
Hetzelfde als bekering?
Als men over ‘wedergeboorte’ spreekt, valt onvermijdelijk
ook het woord ‘bekering’. Het is moeilijk om exact aan te ge-
ven wat het verschil is tussen die twee begrippen. Wie alles
precies wil definiëren raakt het spoor bijster. Het is nu een-
maal onmogelijk de werkingen van de Geest in kaart te bren-
gen. Wellicht kan men het zo samenvatten, dat het begrip ‘we-
dergeboorte’ vooral te maken heeft met de goddelijke kant van
de zaak - het onverklaarbare wonder dat men ervaart als men
een nieuwe gerichtheid ontvangt - terwijl ‘bekering’ meer de
wilsbeslissing van de mens benadrukt. Herhaaldelijk lezen we
in de Bijbel oproepen tot bekering. Kennelijk is hierbij dus
onze eigen inbreng in het geding. Wij kunnen ‘nee’ zeggen
tegen dingen waar we eerder ‘ja’ tegen zeiden. We kunnen ons
omkeren, en onze hand uitsteken naar God. Waarbij niet ge-
zegd is, dat we dat allemaal kunnen doen, zonder dat ook daar-
bij op de een of andere manier Gods hulp de doorslaggevende
rol speelt.
De heilige Geest
Wanneer we het hebben over ‘wedergeboorte’ en ‘bekering’,
stuiten we steeds weer op woorden als ‘de geest’ of ‘de heilige
Geest’. We moeten uit de bijbelse gegevens wel opmaken dat.99
er een ‘heilige Geest’ is. Die hoofdletter staat er niet toevallig,
of uit slordigheid. Want de Bijbel laat er geen twijfel over be-
staan dat deze heilige Geest de eigenschappen bezit die aan
God worden toegeschreven. 2 In één adem wordt op verschil-
lende plaatsen melding gemaakt van God als de Vader, de Zoon
en de heilige Geest. 3
Vaak weten we als mensen geen raad met die ‘heilige Geest’.
We kunnen ons er geen voorstelling van maken. Alleen het
woord ‘geest’ roept al merkwaardige associaties op. En het vaak
dweperige geschreeuw over de ‘heilige Geest’, dat men in som-
mige kringen hoort, schrikt ons gemakkelijk af.
De realiteit van de heilige Geest is van onvergelijkbare bete-
kenis als het gaat om het leven van de christen. Het nieuwe
leven waar we net over spraken wordt door de heilige Geest
gewekt en de voortgang, de groei van de mens in dat nieuwe
bestaan, is zonder deze heilige Geest niet denkbaar. Filosofe-
ren over het ‘hoe’ en ‘waarom’ blijft tamelijk onvruchtbaar.
De realiteit van de heilige Geest kan ervaren worden door de-
gene die zich voor zijn aanwezigheid openstelt. Hoofdzaak is
vast te stellen dat christenen een ongekende kracht tot hun
beschikking hebben. Ze kunnen bij de ontplooiing van hun
nieuwe bestaan rekenen op de goddelijke steun van de heilige
Geest. En dat maakt verschil. Veel zogenaamde christenen
hebben dat niet door, en missen daardoor dat bijzondere dat
hen tot echte christenen maakt, die op onnaspeurbare wijze
ook door hun omgeving als zodanig herkend worden.
Laat ik hier haastig nog één opmerking aan toevoegen. Als
wij bij ‘bekering’ en ‘wedergeboorte’ te maken hebben met het
geheim van de heilige Geest, dan mogen we niet verwachten
dat wij precies kunnen voorspellen hoe deze gebeurtenissen
zich afspelen. En evenmin kunnen wij aannemen dat wij altijd
met één oogopslag kunnen beoordelen of iemand echt ‘weder-
geboren’ of ‘bekeerd’ is of niet. Het is heel belangrijk om dit te
beseffen. Er zijn mensen die zich hun leven lang hebben afge-
vraagd of zij wel als echt ‘wedergeboren’ christenen konden.100
gelden, omdat ze geen spectaculaire innerlijke aardverschui-
ving hebben meegemaakt. Die mensen hoeven zich niet onge-
rust te maken. De Geest werkt zoals Hijzelf beslist. Bij de één
misschien op een plotselinge, spectaculaire manier en bij de
ander via een langzaam proces.
Kennis
Christen-zijn heeft dus te maken met een ommekeer, een
nieuwe gerichtheid, maar vooral met die goddelijke doortrok-
kenheid die aan de ‘heilige Geest’ wordt toegeschreven. Men
zou als gevolg van deze gedachtengang kunnen denken dat
christen-zijn dus in belangrijke mate afhangt van gevoelens en
niet onder woorden te brengen innerlijke ervaringen. Dat druist
in tegen de al vermelde opvatting van velen dat geloof een
systeem van waarheden is, waarvan je overtuigd bent geraakt.
‘Ik heb al een geloof ’, zegt men soms tegen mensen die
komen aanbellen om je te bekeren tot een bepaalde richting.
Ik hoop dat enigszins duidelijk is geworden dat dit een valse,
of op zijn minst onvolledige voorstelling is van wat de kern
van het geloof is. ‘Geloof nu is de zekerheid der dingen die
men hoopt en het bewijs der dingen, die men niet ziet’. 4 Dat is
de tekst die een definitie van geloof het meest benadert. Ge-
loof is hoop, vertrouwen, innerlijke zekerheid.
Maar dat betekent niet, dat de mens niet geïnteresseerd moet
zijn in wat hij nu gelooft. Welke redenen zijn er om hoop te
koesteren? Op Wie is de hoop die we hebben gevestigd? Waarin
bestaat die hoop? Waar zijn we zeker van? Waarop stoelt ons
vertrouwen? Hoe kunnen we meer te weten komen van Hem
op wie we vertrouwen, van wat Hij wil en met ons voor heeft?
Geloof heeft zeker naast een emotioneel ook een verstande-
lijk aspect. Wij zijn met rede begaafde wezens en het ligt voor
de hand dat we vragen stellen en antwoorden zoeken. Het is
vanzelfsprekend dat we Gods openbaring steeds weer opnieuw
met onze beste intellectuele krachten benaderen..101
Vanaf het begin hebben de volgelingen van Jezus begrepen
dat zij niet alleen een oproep moesten doen, dat de mensen
zich moesten bekeren en een nieuwe richting moesten vinden
en dat zij hun hart moesten openstellen voor de goddelijke
Geest, maar ook dat zij die mensen moesten onderrichten. Zij
hebben begrepen dat zij informatie moesten doorgeven over
de God die zij dienden, over de Christus die zij volgden en
over de voorwaarden waarop redding verkregen kon worden.
Het was ook geen wonder dat zij het in hun contact met an-
dere mensen zo aanpakten. Heel scherp herinnerden zij zich
de woorden van Jezus, dat zij ‘heen moesten gaan in de gehele
wereld’ om de mensen te onderrichten! 5
Hoewel leerstellingen geen waarde hebben als er niet tege-
lijkertijd sprake is van een innerlijke beleving, kan men omge-
keerd wel stellen, dat een mens die in zijn innerlijk door God
is geraakt, automatisch zal vragen naar alles wat hij van God te
weten kan komen en hevig geïnteresseerd zal zijn in de infor-
matie die de Bijbel kan verschaffen. Leerstellingen kunnen
daarbij een hulp betekenen, een houvast bij de pogingen om
zover als ons mensen gegeven is, door te dringen in de godde-
lijke geheimen.
Het ‘ja’-woord
Het is een menselijke behoefte om officieel bekendheid te
geven aan een belangrijke gebeurtenis of een indrukwekkende
persoonlijke ervaring. Twee mensen die van elkaar zijn gaan
houden, maken op een gegeven ogenblik door een huwelijks-
sluiting aan de buitenwereld officieel bekend, dat ze verder
samen door het leven willen gaan. En zelfs in onze tijd, waarin
heel wat jonge mensen zo’n traditionele trouwerij met het
‘boterbriefje’ niet meer zo nodig vinden, zoekt men vaak naar
middelen om toch publiekelijk bekend te maken dat er sprake
is van een vaste relatie.
Wanneer er sprake is van gezinsuitbreiding stuurt men ge-
woonlijk kaartjes rond om familie, vrienden en kennissen van.102
de heuglijke gebeurtenis op de hoogte te stellen. Wanneer men
veertig jaar bij dezelfde baas heeft gewerkt, verwacht men een
receptie en soms een onderscheiding. Belangrijke gebeurtenis-
sen of beslissingen worden op deze en soortgelijke manieren
gemarkeerd.
Als iemand besluit de sprong van het geloof te wagen; als zo
iemand gelooft dat de ‘heilige Geest’ met zijn innerlijk bezig
is; als zo iemand bovendien inzicht heeft gekregen in dat wat
volgens de Bijbel de implicaties zijn van in God geloven, dan
is dat niet iets waaraan zo maar voorbij kan worden gegaan.
Zo’n belangrijke mijlpaal wordt gemarkeerd door een bijzon-
dere gebeurtenis: de doop. Wie tot geloof komt, kan door
middel van de doop zijn ‘ja-woord’ aan God geven.
Geloven en zich laten dopen zijn twee begrippen die bij
elkaar horen. ‘Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden
worden’. 6 Deze tekst roept heel wat vragen op, maar geeft toch
op zijn minst aanleiding om vast te stellen dat in Gods oog de
doop heel belangrijk is.
Dopen is dompelen
‘Eén Here, één geloof en één doop’. 7 Zo staat het er, maar
in de praktijk blijkt, dat er wat de doop betreft nogal wat aan
die eenheid mankeert. In veel kerken doopt met zuigelingen,
meestal door besprenkeling met een paar druppels water, maar
het komt ook voor dat men de zuigeling onderdompelt. Soms
wordt de doop alleen voltrokken aan mensen die oud genoeg
zijn om een persoonlijke keus te maken. Daarbij wordt de
methode van besprenkeling toegepast of een volledige onder-
dompeling.
Het is geen wonder dat de doop volop in discussie is. Want
wie de Bijbel op dit punt doorzoekt, zal nergens een spoor van
de besprenkeling ontdekken. Het woord dopen heeft de bete-
kenis van onderdompelen. Dat gebeurt dan ook als er in de
Bijbel gedoopt wordt..103
In het boek Handelingen komen we bijvoorbeeld het ver-
haal tegen van de christenprediker die met zijn boodschap ge-
hoor vindt bij een Ethiopiër, die al eerder kennis had gemaakt
met de enige God, maar nu, dankzij het verdere contact met
deze zendeling, een duidelijke keuze wil maken. 8 Woordelijk
staat er in het verhaal dat deze beide mensen, zowel de zende-
ling als zijn toehoorder, ‘afdaalden in het water’, waarna de
doop plaatsvond. En ten overvloede staat er nog bij dat zij
daarna ‘uit het water’ kwamen. Hoewel de doop die door Jo-
hannes ‘de Doper’ werd toegediend wel in betekenis verschilde
met de latere doop van de christenen, was de manier van do-
pen gelijk. Veelbetekenend staat er in het evangelieverhaal dat
deze Johannes een plaats had uitgezocht om te dopen ‘waar
veel water was’. 9
De apostel Paulus geeft een diepzinnige beschouwing over
de doop. 10 Hij vergelijkt het gedoopt worden met sterven en
weer opstaan. Wie zich laat dopen, geeft te kennen dat hij een
eind heeft gemaakt aan zijn vorig bestaan, en nu opnieuw wil
beginnen. Die verklaring is helemaal op de lijn van wat we
eerder over de ‘wedergeboorte’ zeiden. Wel kenmerkend is, dat
deze beeldspraak alleen maar begrijpelijk wordt tegen de ach-
tergrond van gedoopt worden door middel van een letterlijke
onderdompeling.
Het onderdompelen bij de doop was in de eerste eeuwen
van onze jaartelling vaste regel. Tot in de derde eeuw was het
dopen van kleine kinderen grote uitzondering. Men kan zelfs
veilig zeggen dat gedurende de eerste zes eeuwen het dopen
van volwassenen de overhand bleef houden en dat pas sinds de
twaalfde eeuw het begieten of sprenkelen met een klein beetje
water de plaats van het helemaal onderdompelen innam.
Een persoonlijke beslissing
In het Nieuwe Testament ontdekken we dat de doop nooit
buiten de dopeling omging. Hij werd niet gedoopt, maar hij.104
liet zich dopen, d.w.z. uit eigen vrije wil, als een persoonlijke,
weldoordachte beslissing. Jezus’ laatste woorden tot zijn leer-
lingen waren: ‘Gaat dan henen, maakt al de volken tot mijn
discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons
en des heiligen Geestes’. 11 In die volgorde staat het: Maak ze
tot mijn discipelen en doop ze! Aan het einde van het
Marcusevangelie wordt hetzelfde gezegd. Daar wordt geloven
en gedoopt worden aan elkaar gekoppeld. 12 Maar weer in die
volgorde. En Petrus roept zijn gehoor op om zich te bekeren
en zich te laten dopen. 13 Opnieuw in deze volgorde.
Waarom zo moeilijk?
Meestal zal men op basis van het bovenstaande wel willen
toegeven dat inderdaad de bijbelse manier van dopen door
onderdompeling gebeurde en dat men alleen mensen doopte
die oud genoeg waren om zelf gedoopt te willen worden. Maar
dan komt toch vaak een aantal bezwaren. Als de doop een
symbool is, waarom zou het dan van belang zijn of je veel of
weinig water gebruikt? Het is nu eenmaal ingeburgerd geraakt
om te sprenkelen. Waarom zou je dat dan veranderen? En een
andere veel gehoorde opmerking is: Als je als kind gedoopt
bent, mag dat misschien niet helemaal volgens het bijbelse
patroon gebeurd zijn, maar dan ga je je toch zeker niet nog
eens opnieuw laten dopen?
Laat ik eerst heel kort een antwoord geven op dat laatste
bezwaar. Ik kan niet zeggen dat een kinderdoop in alle geval-
len zonder waarde is. Als ouders hun kind naar de kerk bren-
gen en te kennen geven dat ze Gods zegen over hun kind wil-
len hebben en als een kerkelijke gemeenschap laat merken dat
ze zich ook verantwoordelijkheid voelen voor de verdere (vooral
geestelijke) ontwikkeling van dat kind, dan zijn dat heel be-
langrijke dingen. Maar de doop is er niet voor om dat te on-
derstrepen. De doop heeft een andere funktie. Vanuit de Bij-
bel geredeneerd moet je zeggen, dat de doop van een zuigeling
helemaal geen doop is! Aan die conclusie valt niet te ontko-
men..105
En dan die andere vraag. Waarom moet het zo moeilijk gaan
als het veel eenvoudiger kan? Waarom zou men nu persé die
antieke manier van dopen weer moeten invoeren? Laten we
voorop stellen dat dopen door onderdompeling weliswaar over-
vleugeld is geworden door andere manieren van dopen, maar
dat er in alle tijden groepen mensen zijn geweest die aan de
bijbelse doop hebben vastgehouden en dat er ook vandaag de
dag miljoenen mensen zijn die ondergedompeld zijn bij hun
doop. Maar het beslissende argument dat voor het handhaven
(en herstellen) van de bijbelse manier van dopen pleit, is dat
Jezus Christus zelf ondergedompeld werd. Hij liet Zich, voor-
dat Hij met zijn publieke loopbaan begon, dopen door Johan-
nes ‘de Doper’. 14 Deze begreep dat niet. Waarom zou Jezus
Zich laten dopen? Hij had toch geen verleden waar een punt
achter gezet moest worden? Hij kon als zondeloze toch geen
‘wedergeboorte’ of ‘bekering’ doormaken en die bezegelen door
Zich te laten dopen? Inderdaad, er valt geen enkele reden te
bedenken waarom Jezus Zich zou hebben moeten laten do-
pen, behalve die ene: Hij liet Zich dopen om op deze manier
eens en voor altijd aan zijn volgelingen een voorbeeld te geven.
En wat is dan meer voor de hand liggend dan om dit voor-
beeld ook nu nog na te volgen?
Vallen en opstaan
Als je gedoopt bent, dan ben je er nog niet. Een mens ver-
andert niet plotseling van de ene dag op de andere van een
zondaar in een heilige. Eigenlijk begint het bij de doop pas.
Zoals een kind langzaam maar zeker moet groeien naar de vol-
wassenheid, zo is dat ook het geval na de geestelijke geboorte. 15
Ook nadat men de beslissing heeft genomen om God te
gaan gehoorzamen en Jezus’ voorbeeld te gaan volgen, maakt
men fouten. Het blijft voorkomen dat men dingen doet, waar-
van men diep in zijn innerlijk weet, dat men die eigenlijk niet
had moeten doen. Alle slechte karaktereigenschappen zijn niet
plotseling overwonnen. Als je als een driftig mens het water.106
ingaat, kom je er niet als een zachtmoedig, nooit meer boos te
krijgen persoon weer uit.
Met vallen en opstaan begint men na de doop aan het leven
met God. Ook nadat men gedoopt is, zal men elke dag weer
in gebed naar God toe moeten gaan om vergeving te vragen
voor alle verkeerde dingen. Daarbij is er de zekerheid dat God
elke keer inderdaad vergeeft. 16
Aan de andere kant moet er in ons geestelijk leven natuur-
lijk wel een ontwikkeling zijn waar te nemen. Er moet sprake
zijn van groei. En dank zij de goddelijke assistentie van de
heilige Geest kan het ons ook inderdaad lukken allerlei
onhebbelijkheden langzaam maar zeker te overwinnen. Ge-
makkelijk gaat dat allemaal niet. In de Bijbel wordt heel vaak
gesproken over de ‘strijd’ van een volgeling van Jezus, waarin
men soms het gevoel heeft het onderspit te zullen delven. 17
Nieuwe krachten opdoen
In die strijd staan we er niet alleen voor. Als we verzocht
worden om te zondigen - als we soms haast onweerstaanbaar
ertoe gedreven worden om juist datgene te doen wat we niet
willen, dan moeten we denken aan het feit dat er Iemand is
die met ons mee kan voelen. Jezus heeft in principe alle ver-
zoekingen gekend die ons overkomen. 18 Hij kan met ons mee-
voelen. Hij weet waar wij voor staan en is bereid ons door zijn
Geest kracht te geven om tegenstand te bieden.
Als het gaat om een strijd, dan ligt het voor de hand om aan
wapenen te denken. Inderdaad gaat de Bijbel met deze beeld-
spraak verder en wordt ons een volledige ‘wapenrusting’ gebo-
den om stand te houden. 19 Een van de wapenen met de groot-
ste trefkans is het Woord van God, de Bijbel. Wie geestelijk
sterk in zijn schoenen wil staan, moet steeds met de Bijbel
bezig blijven. De Bijbel is en blijft een reservoir van kracht en
inspiratie om op de goede weg te blijven.
Behalve bijbellezen is bidden het fundament voor een ge-
zond geestelijk leven. In het gewone leven kunnen we niet.107
zonder contact met andere mensen. In het geestelijk leven
kunnen we niet zonder intensief contact met God. Het spreek-
woord zegt: Nood leert bidden! Zover moeten we het echter
niet laten komen. Ook als de nood ons niet tot de lippen is
gekomen, is gebed noodzakelijk om geestelijk op peil te blij-
ven. Bidden is een wonderlijk iets. Wij praten, hardop of in
onszelf, en denken dat we op die manier contact hebben met
God. We gaan ervan uit dat God ons hoort. Hoe kan dat? En
hoe kan God luisteren naar al die miljoenen gebeden die elke
minuut worden gebeden?
Bidden is vertrouwen dat er een persoonlijke band is tussen
God en ons. Bidden is je innerlijk openleggen voor God, met
als gevolg dat je nieuwe inzichten krijgt in je situatie en allerlei
dingen met andere ogen gaat zien. Bidden is ook (en vooral)
danken voor alles wat je dagelijks krijgt en wat veelal als zo
vanzelfsprekend wordt ervaren, terwijl het toch allemaal niet
zo vanzelfsprekend is. Bidden is ook vragen om hulp, om ge-
nezing, om doorzettingsvermogen en inzicht om problemen
de baas te kunnen worden.
Bidden kan overal. En op elk moment. Er is geen bijzon-
dere houding voor nodig. Hoogdravende stadhuistaal kan rustig
achterwege blijven. Maar dat betekent niet, dat het niet goed
zou zijn aan te sluiten bij de traditie van vele eeuwen en onze
eerbied voor God te tonen door onze handen te vouwen en
onze ogen te sluiten. Het is helemaal niet erg dat ook te doen
als anderen ons kunnen zien. Het is integendeel heel goed dat
te doen: anderen mogen best zien dat er nog mensen zijn die
contact zoeken met God en zich daar niet voor schamen. Mis-
schien is het voor anderen een aansporing om ook dat contact
niet te vergeten.
Vrije mensen
Als we het bovenstaande zo allemaal eens bij elkaar optel-
len, zou men kunnen denken dat het leven van een christen.108
toch niet zo gemakkelijk is. Het is immers een strijd, waarbij
‘ten bloede’ toe weerstand moet worden geboden aan het
kwaad. 20 En het is een manier van leven die je toch maar een
heleboel verplichtingen oplegt. We hadden het al over bijbel-
lezen en bidden en in de volgende hoofdstukken volgen nog
meer verplichtingen. Een christen moet kennelijk heel wat din-
gen! En dat staat heel wat mensen nogal tegen.
Het lijkt er trouwens op dat we hier op een flinke tegen-
strijdigheid zijn gestoten. God verwacht dat we een aantal din-
gen doen en dat we andere dingen laten. Dat is zo duidelijk,
dat niemand eromheen kan. Maar tegelijkertijd lezen we dat
de ‘waarheid’ ons ‘vrij zal maken’. 21 En op een andere plaats
wordt ons verzekerd: ‘Waar de Geest des Heren is, daar is vrij-
heid’. 22 Als dat waar is, hoe komt het dan dat zoveel christenen
zo krampachtig leven? Hoe is het mogelijk dat christen-zijn zo
de schijn wekt van een moeizaam gebukt gaan onder regels en
wetten? Hoe kan je dan verklaren, dat vaak, naarmate er meer
gepreekt wordt over de genade van God waar alles vanaf hangt,
er des te meer gehamerd wordt op wat mag en vooral wat niet
mag?
Het is een oud probleem. Christen-zijn is vrij-zijn. Maar
vrij-zijn is niet hetzelfde als bandeloos zijn en maling hebben
aan alle regels en normen. Een groot aantal dingen hebben
geen plaats in het leven van een volgeling van Jezus, omdat het
dingen zijn die niet verrijken, maar verarmen.
Laten we eerlijk zijn: niet alle ervaringen zijn de moeite waard
om ervaren te worden. Er zijn dingen waar een min-teken voor
staat in plaats van een plus-teken. En laten we ook even vast-
stellen dat veel zogenaamd ‘vrije’, geëmancipeerde mensen, toch
niet zo vrij zijn als ze zelf soms beweren. Ze zijn vaak de beste
klanten voor de psychiater, omdat ze maar niet van allerlei
schuldcomplexen en van de last van het verleden of de last van
een onzekere toekomst kunnen afkomen. Men kan immers
bevrijd zijn van alle tradities en zich losmaken van allerlei ver-
plichtingen en toch maar niet loskomen van zichzelf..109
Daartegenover staan mensen die naar menselijke maatsta-
ven gemeten onvrij zijn (die soms zelfs in een gevangenis zit-
ten - kan het onvrijer?) en toch een besef hebben van inner-
lijke vrijheid. Hoe kan dat? Dat kan, omdat echte vrijheid niet
in de eerste plaats te maken heeft met externe dwang, maar
met een innerlijke ervaring. Echte vrijheid is het werk van de
Geest. ‘Waar de Geest des Heren is, daar is vrijheid’.
Een wet van vrijheid
Dat lijkt de wereld op zijn kop. Toch wordt de wet van God
zo genoemd. God heeft ons een gedragscode gegeven als een
handleiding om onze houding ten opzichte van Hem en ten
opzichte van onze medemensen goed te kunnen bepalen. We
denken daarbij in de eerste plaats aan de Wet der Tien Gebo-
den, maar verder ook aan een aantal andere spelregels die God
heeft gegeven. Soms zeggen christenen dat deze wet is afge-
schaft, omdat Christus haar teniet zou hebben gedaan. Wie
dat zegt is het slachtoffer van een ernstig misverstand. 23 In het
volgende hoofdstuk komen we daarop uitgebreid terug.
Er is een vastomlijnde goddelijke gedragscode! Maar dat
wil niet zeggen dat deze code een klemmend keurslijf vormt
dat de christen aan alle kanten beknelt. Als dat wel het geval
is, dan schort er wat aan de mens die dat zo ondergaat en niet
aan die wet. De wet van God is er niet om het de mens moei-
lijk te maken, maar juist om hem te beschermen en hem aan-
wijzingen te geven hoe hij zijn verhouding tot God zo opti-
maal mogelijk kan beleven en hoe hij het contact met zijn
medemensen zo goed mogelijk kan regelen.
Wie met de juiste instelling deze goddelijke richtlijnen te-
gemoet treedt, heeft dezelfde ervaring als duizend jaar voor
Christus de dichter van een groot aantal psalmen had. Hij ‘ver-
lustigde’ zich in de geboden. 24 Hij hield die wet met plezier.
De wet hielp hem een vrij mens te blijven en niet te vervallen
in gebondenheid aan allerlei negatieve dingen..110
Natuurlijk is eerbied voor de wet en gehoorzaamheid aan
de goddelijke regels geen middel om bij God een wit voetje te
halen. Eeuwig leven valt niet te verdienen, ook al doet een
mens zijn leven lang zijn uiterste best om alle goddelijke gebo-
den zo precies mogelijk na te leven. Wie Gods gunst wil ver-
dienen krijgt altijd de kous op de kop. We moeten het niet
hebben van onze goede daden en van onze stipte gehoorzaam-
heid. We moeten het hebben van de genade van Jezus. We
krijgen de eeuwige toekomst gratis, zonder eigen verdienste. 25
Is het dan niet vanzelfsprekend dat we, als we dat beseffen,
vanuit het diepste van ons hart, willen proberen Gods aanwij-
zingen te volgen? Als we er zó tegenover staan wordt leven
naar Gods wil geen troosteloze last, maar een onvoorstelbaar
voorrecht, een ervaring van vrij-en-blij-christen-zijn zonder
weerga.
Werken en bidden
Als we de dingen, die we tot nu toe gezegd hebben, bij el-
kaar optellen, zou men misschien concluderen dat het leven
van een christen nogal inactief is. In de eerste plaats telt im-
mers het geloof en niet de werken. In de tweede plaats moeten
we voortdurend bidden en in de Bijbel lezen. En dan is er in
de derde plaats nog de verwachting van een spoedige komst
van Jezus: als Hij binnenkort komt en aan alles op deze wereld
een einde maakt, waar zou je je dan voor inspannen?
Hoe belangrijk gebed en bijbellezen ook zijn, een christen
mag er niet al zijn tijd mee vullen. Wie zichzelf christen noemt
moet beseffen, dat hij daarmee erkent dat hij een opdracht
heeft. Wie zelf het evangelie heeft leren begrijpen, zal al het
mogelijke gaan doen om ook aan anderen dat goede nieuws
(dat is de letterlijke betekenis van het Griekse woord ‘evange-
lie’) door te geven. De opdracht die Jezus gaf aan zijn leerlin-
gen, om heen te gaan in de gehele wereld en overal het evange-
lie te verkondigen, is op ons overgegaan. Die geweldige taak is
een van de redenen waarom de kerk werd gesticht. (Daarover.111
meer in het laatste hoofdstuk). Daarmee houdt het voor een
christen niet op. Toen de eerste mens op het aardse toneel ver-
scheen, werd hem de opdracht gegeven om de aarde te gaan
bebouwen en in cultuur te brengen. 26 Hij moest over de aarde
‘heersen’. 27 God verwachtte dat de mens iets zou gaan maken
van de hem gegeven mogelijkheden en omstandigheden. De
mens werd aangesteld als ‘rentmeester’ om de schepping in
naam van God, de Eigenaar, zo goed mogelijk te beheren. Die
taak is de mens door de komst van de zonde niet kwijtgeraakt.
Integendeel, die taak is alleen maar gecompliceerder gewor-
den. Want niet alleen heeft de mens nog steeds die functie van
‘rentmeester’, maar bovendien moet hij optornen tegen de
gebrokenheid door de zonde die alom manifest is. Zo heeft de
mens te maken gekregen met onvruchtbaatheid, honger, ziekte,
verdeeldheid en oorlog. Een christen zal al het mogelijke moe-
ten doen om deze negatieve dingen terug te dringen. Hij zal
zich inspannen om nood te helpen lenigen en verzoening tot
stand te brengen.
Wie eraan twijfelt of dat tot de taak van een christen be-
hoort moet zich maar eens afvragen waar Jezus zijn dagen mee
vulde. Hij was niet de hele dag altijd maar bezig met prediken,
maar besteedde een heel groot deel van zijn tijd aan het helpen
van zijn zieke en in nood verkerende medemens.
Horizontaal of verticaal?
Men hoort vaak de klacht dat de christenheid zich tegen-
woordig alleen nog maar druk maakt om de horizontale di-
mensie. In plaats van bezig te zijn met bidden, bijbelstudie en
meditatie (het verticale) is de kerk verwikkeld geraakt in aller-
lei acties rond de milieu-problematiek, steekt zij haar tijd en
energie in het organiseren van vredesweken, geeft zij steun aan
mensen die voor hun politieke vrijheid vechten en is zij bezig
met allerlei sociale projecten. Men zal moeten toegeven dat de
kerk zich soms vereenzelvigt met activiteiten die niet aan de
bijbelse normen voldoen. Maar men zal tegelijkertijd zeker.112
ook moeten toegeven dat het tijd wordt dat de christenen zich
opstellen aan de kant van de verdrukten en de zwakke groepen
in de samenleving. Want te vaak heeft de kerk de rol gespeeld
van verdedigster van de status quo en zich zelfs geschaard aan
de kant van de heersende, onderdrukkende klasse.
Wanneer men suggereert dat de kerk zou moeten kiezen
vóór het verticale en tégen het horizontale, wordt een vals di-
lemma geschapen. Het is geen kwestie van óf - óf, maar een
zaak van én - én. Dat geldt voor kerkgemeenschappen in hun
totaliteit en voor de individuele christenen. Chirsten-zijn is le-
ven met de hemel in dienst van de wereld. Met die zin vatten we
eigenlijk dit hele hoofdstuk samen.
1. Johannes 3:3.
2. Zie blz. 23, noot 7. Zie verder vooral Johannes 14:15-31 en 16:5-15;
Romeinen 8:11; 1 Korintiërs 2:10. 11.
3. Matteüs 28:19; 2 Korintiërs 13:13; 1 Korintiërs 12:4-6.
4. Hebreeën 11:1.
5. Matteüs 28:19; Marcus 16:15.
6. Marcus 16:16.
7. Efeziërs 4:5.
8. Handelingen 8:26-40.
9. Johannes 3:23.
10. Zie Romeinen 6:3 e.v.
11. Matteüs 28:19.
12. Marcus 16:15.
13. Handelingen 2:38.
14. Zie Matteüs 3:13-17.
15. Zie b.v. Efeziërs 4:15.
16. Matteüs 7:7; Lucas 11:9.
17. Zie b.v. 1 Timoteüs 6:12; Hebreeën 12:4.
18. Hebreeën 4:15.
19. Efeziërs 6:10-17.
20. Hebreeën 12:4.
21. Johannes 8:32.
22. 2 Korintiërs 3:17.
23. Matteüs 5:17-19.
24. Psalm 119:47.
25. Romeinen 3:24.
26. Genesis 2:15.
27. Genesis 1:28..113
EEN DAG OM NOOIT TE VERGETEN
Er zijn nog steeds, ook in Nederland, verschillende organi-
saties die allerlei activiteiten ondernemen om de zondagsrust
te bevorderen. Zij komen vooral in het geweer als opnieuw
ergens een stukje zondagsrust dreigt te worden opgeofferd aan
de wil van de meerderheid van de bevolking. Zo deden zich
jarenlang in bepaalde plaatsen verhitte discussies voor over de
vraag of het plaatselijk zwembad op zondag geopend of geslo-
ten moet zijn. De verdedigers van de zondagsrust beroepen
zich op de Bijbel. Daarin staat toch immers dat God een rust-
dag heeft ingesteld die geheiligd moet worden! En het heiligen
van de zondag is wel het laatste waaraan een meerderheid van
de bevolking schijnt te denken. De zondag is een dag van uit-
slapen, recreatie en vermaak bij uitstek geworden. Maar ook al
moeten ze iedere keer weer opnieuw een stukje terrein prijsge-
ven, de strijders voor de zondagsrust geven hun pogingen niet
op.
Een betere zaak waardig
Eigenlijk zijn die inspanningen ter bevordering van de zon-
dagsrust een nogal trieste vertoning. Niet alleen vanwege het
zo geringe resultaat, maar vooral ook omdat de bijbelse basis
ontbreekt. De Bijbel verdedigt nergens de zondagsrust! De
zondag is naar bijbelse maatstaven een gewone dag, net als
andere werkdagen. De energie die besteed wordt aan het in ere
houden van de zondag kan dus aan een veel betere zaak be-
steed worden.
Betekent dit dat de Bijbel dan van het standpunt uitgaat
dat er geen rustdag is en dat alle dagen gelijk zijn? Dat bete-.114
kent het niet. Niemand kan echter om het onomstotelijke feit
heen dat de enige rustdag die door de Bijbel gepropageerd
wordt, de sabbat is, de dag die wij gewoonlijk zaterdag noe-
men. Wie zich op bijbelse grond voor de ‘viering’ van een be-
paalde dag inzet, zal dat moeten doen voor de zaterdag.
Vragen
Maar het houden van de sabbat is toch iets dat alleen bij
joden thuishoort? Christenen moeten toch niet terugvallen in
het jodendom? Trouwens, al die oudtestamentische wetten,
waaronder de regels over de sabbat, zijn voor christenen toch
niet meer geldig? En als ze eigenlijk nog wel geldig zouden
zijn, dan kan je de klok toch niet meer terugzetten? Je kunt
toch niet de hele maatschappij in de war sturen door een an-
dere rustdag in te voeren? En wat maakt het eigenlijk uit op
welke dag je eventueel naar de kerk gaat? Zo zijn er meer vra-
gen. Maar laten we ons er nu maar toe beperken om deze paar
vragen eens te bekijken.
Alle regels van vóór Christus afgeschaft?
In veel christelijke gemeenschappen wordt steeds weer her-
haald dat ‘de wet’ is afgeschaft, omdat we nu ‘onder de genade’
leven. Daarmee wordt dan ongeveer bedoeld, dat de mensen
in de tijd vóór Christus precies moesten doen wat God door
middel van allerlei wetten en regels had voorgeschreven, wil-
den ze voor Hem acceptabel zijn. Ze moesten gehoorzamen en
dan kwam het allemaal wel in orde. Maar de mensen die leven
sinds Jezus’ komst op aarde, staan er anders voor. Ze moeten
geloven in Jezus en vertrouwen dat Hij alles voor hen in orde
brengt. Zij worden niet ‘gered’ vanwege gehoorzaamheid aan
wetten en regels, maar vanwege hun vertrouwen op Jezus.
Door het zo beknopt weer te geven, treedt wel enige ver-
tekening op, maar in grote lijnen treft men deze denklijn vaak.115
aan. Het wordt dus zo voorgesteld dat er eigenlijk twee syste-
men zijn die God in zijn relatie tot de mensen hanteert. Een
systeem met de nadruk op gehoorzaamheid dat in oudtesta-
mentische tijden vooral voor de joden gold en een systeem dat
uitgaat van geloofsvertrouwen, en functioneert sinds Christus
op aarde was. Hoe algemeen deze gedachte ook is, zij kan niet
resoluut genoeg worden afgewezen. Alleen door deze gedachte
in de Bijbel in te lezen, kan men tot zo’n conclusie komen,
maar zeker niet door een onbevooroordeeld lezen van de Bij-
bel. Het thema van gehoorzaamheid komt inderdaad steeds
weer in het Oude Testament voor, maar niet minder wordt de
nadruk gelegd op geloof. (Waren trouwens niet alle offers die
gebracht werden gelegenheden om geloof te tonen in de komst
van het grote Offer - Jezus?) In het Nieuwe Testament wordt
opgeroepen tot onvoorwaardelijk geloof, maar niet minder tot
gehoorzaamheid aan de door God voorgeschreven gedragslijn.
De tegenstelling: gehoorzaamheid tegenover geloof, is een valse
tegenstelling die geen grond heeft in de Bijbel.
Natuurlijk betekent dat niet dat alle wetten en regels die
voor het volk Israël golden zonder meer in onze situatie kun-
nen worden overgeplaatst. Om te beginnen waren er regels die
te maken hadden met offerdieren en priesters. Niemand zal
die regels nog zo maar willen toepassen en opnieuw een tempel-
dienst willen gaan organiseren. Er er waren ook allerlei regels
die te maken hadden met de specifieke maatschappelijke om-
standigheden van enkele duizenden jaren geleden, waarin sla-
vernij voorkwam en waarin bijv. het huwelijks- en adoptie-
recht hemelsbreed verschilde van het onze. Niet dat we er niet
verstandig aan zouden doen om deze regels nauwkeurig te be-
studeren! Ze laten ons zien hoe humaan de joodse regels wa-
ren in vergelijking tot die van volkeren rondom Israël en bren-
gen ons op allerlei ideeën die ook nu nog de moeite van het in
praktijk brengen waard zijn. En dat geldt ook voor aanwijzin-
gen op het terrein van hygiëne en gezondheid. Dingen die
enkele duizenden jaren geleden door God voor ongezond zijn
verklaard, zijn waarschijnlijk nog ongezonder geworden in de
loop der eeuwen. Wie zou daarom zo onverstandig willen zijn.116
om daar zonder meer aan voorbij te gaan? Maar naast die hon-
derden regels die het totale leven bestreken was er een ‘grond-
wet’, waarvan de principes nu nog even actueel zijn als des-
tijds. En het is vooral deze grondwet - de tien geboden - die als
een onveranderlijke uitdrukking van Gods wil ook nu nog res-
pect en gehoorzaamheid eist.
De tien geboden afgeschaft?
De vorige generatie christenen heeft met het dogma afge-
daan, de huidige met de christelijke moraal. Die uitspraak be-
vat veel waarheid. Er zijn zelfs theologen die beweren dat er
geen absolute zedelijke norm is. Zij zeggen: Je kunt niet vast-
stellen dat iets onder alle omstandigheden goed en iets anders
onder alle omstandigheden fout is. Dat hangt helemaal van de
omstandigheden af. De situatie bepaalt of iets goed of ver-
keerd is!
Toch zijn er heel wat mensen die nog steeds durven bewe-
ren dat er wel een aantal absolute onveranderlijke uitgangs-
punten voor een christelijke moraal is: de tien geboden. En
terecht! Wie dat zegt bevindt zich in het best denkbare gezel-
schap, namelijk dat van Christus. Jezus heeft Zich op dit punt
overduidelijk uitgelaten. ‘Meent niet, dat Ik gekomen ben om
de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om
te ontbinden, maar om te vervullen, Want voorwaar, Ik zeg u:
Eer de hemel en de aarde vergaat, zal er niet één jota of tittel
(wij zouden zeggen: één punt of komma) vergaan van de wet,
eer alles zal zijn geschied’. 1
Uit het verband blijkt over welke wet Jezus het heeft. 2 Hij
licht zijn standpunt namelijk toe door enkele voorbeelden aan
te halen. Hij gaat daarbij in op het plegen van echtbreuk en
het plegen van een moord. Dat zijn twee voorbeelden die alles
te maken hebben met de tien geboden. Het opmerkelijke is
dat Jezus de diepere betekenis laat zien van deze geboden. Vol-
gens Hem gaat het niet alleen, ja zelfs niet in de eerste plaats,.117
om de uiterlijke daad, maar om de diepere motieven van een
mens. Niet alleen iemand die openlijk ontrouw is tegenover
zijn vrouw en avond aan avond met andere vrouwen op stap
gaat is een echtbreker, maar ook diegene ‘die een vrouw aan-
ziet om haar te begeren’, dus die wel graag ontrouw zou willen
zijn, maar die het niet durft. En als iemand een vreselijke he-
kel heeft aan een collega en heimelijk hoopt dat die ander nog
eens wat zal overkomen, dan is zo iemand net zo goed een
moordenaar als degene die in een opwelling van drift of in
koele bloede iemand om het leven brengt. De goddelijke ge-
boden die in oude tijden werden bekendgemaakt zijn door
Jezus niet afgeschaft. Hij heeft ze vervuld, d.w.z. Hij heeft het
volmaakte voorbeeld gegeven, hoe ze moeten worden uitge-
leefd.
Er zijn wel moeilijke teksten over ‘de wet’, vooral in de brie-
ven van Paulus. Soms wekken ze wel eens de indruk dat Pau-
lus van mening was dat Gods wet teniet was gedaan. Maar hij
haast zich om ervoor te zorgen dat men niet tot die verkeerde
slotsom komt. Hij vraagt in zijn brief aan de Romeinen: ‘Stel-
len wij dan door het geloof de wet buiten werking? Volstrekt
niet; veeleer bevestigen wij de wet’. 3
Geloof en werken
Het komt aan op ons geloof. ‘De rechtvaardige zal uit ge-
loof leven’. 4 Maar dat geloof sluit niet uit dat men zich af-
vraagt hoe God wil dat wij ons leven inrichten. Het geloof zal
juist die vraag stellen. ‘Wat baat het, mijn broeder, of iemand
al beweert geloof te hebben, als hij geen werken heeft?’ 5 Deze
logische vraag stelt de apostel Jakobus. ‘Gelijk het lichaam
zonder geest dood is, zo is ook het geloof zonder werken dood’. 6
Over wat voor ‘werken’ spreekt Jakobus? Hij doelt vooral op
het naleven van de tien geboden. Hij heeft daar trouwens een
prachtige naam voor: ‘de koninklijke wet der vrijheid’. 7 Dat
hij de tien geboden bedoelt staat vast. Ook hij haalt doodslag
en echtbreuk aan als voorbeelden. En hij onderstreept daarbij
het belang van consequent zijn in het uitleven van deze god-.118
delijke grondwet: ‘Wie de gehele wet houdt, maar op één punt
struikelt, is schuldig geworden aan alle geboden’. 8
Kan iemand met de Bijbel in de hand volhouden dat de wet
van God er niet meer toe doet? Het lijkt mij moeilijk, of ster-
ker nog: onmogelijk, als we bijvoorbeeld naar Johannes luiste-
ren. ‘En hieraan onderkennen wij, dat wij Hem kennen: in-
dien wij zijn geboden bewaren. Wie zegt: Ik ken Hem, en zijn
geboden niet bewaart, is een leugenaar en in die is de waar-
heid niet . . . Wie zegt, dat hij in Hem blijft, behoort ook zo te
wandelen als Hij gewandeld heeft’. 9
Er lijkt nog een uitvlucht te zijn. Toen Jezus eens gevraagd
werd naar de betekenis van de tien geboden, vatte Hij die als
volgt samen: ‘Gij zult de Here, uw God, liefhebben met ge-
heel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand.
Dit is het grote en eerste gebod. Het tweede daaraan gelijk, is:
Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf ’. 10 Is dat niet de nieuwe
wet die Jezus in plaats van de oude geboden heeft gesteld? Het
antwoord is: dit is helemaal geen nieuwe wet. Het is alleen
maar een samenvatting die vrijwel woordelijk overeenkomt met
wat ook al in het boek Deuteronomium, één van de zgn. boe-
ken van Mozes, staat. 11 Zodra iemand zich gaat afvragen hoe
deze liefde tot God en tot de medemens concreet moet wor-
den ingevuld, komt hij vanzelf weer bij de tien geboden te-
recht.
Onveranderlijke uitgangspunten
Sinds men op steeds grotere schaal de tien geboden in de
hoek heeft gegooid, is het er in de wereld niet beter op gewor-
den. 12 Een terugkeer naar deze onveranderlijke uitgangspun-
ten zou een keer ten goede teweegbrengen. Maar zoals gezegd:
de tien geboden serieus nemen betekent méér dan luisteren
naar alleen de letter. Het gaat om de géést van de wet, om de
motieven van de mens, om de diepere bedoeling. Als het ge-
bod luidt: ‘Gij zult geen andere geboden voor mijn aangezicht
hebben’, heeft dat niet alleen betrekking op afgodsbeelden zoals.119
we die in volkenkundige musea aantreffen, maar ook op de
manier waarop velen zich bezig houden met hun sport of met
hun auto of andere materiële dingen die heel vaak tot afgoden
zijn geworden. Als het gebod ons voorhoudt, dat we de naam
van God niet ‘ijdel’ mogen gebruiken, is het duidelijk dat we
daarmee worden aangespoord om niet te vloeken. Maar het
betekent veel meer. Het houdt in dat we de naam van God
niet mogen gebruiken als een vlag om de lading te dekken.
Heel was politici zouden zich dat wel eens wat meer mogen
aantrekken! Het gebod ‘Eert uw vader en uw moeder’ zal al-
tijd een uitgangspunt moeten vormen in elke discussie over de
generatiekloof tussen ouders en kinderen. Het ‘Gij zult niet
doden’ verbiedt niet alleen moord en doodslag in de gebruike-
lijke betekenissen van het woord, maar is ook het startpunt bij
moeilijke problemen als euthanasie, abortus en militaire dienst.
Niet altijd krijgt men kant-en-klare oplossingen aangebo-
den. De tien geboden zijn geen wetboek met honderden para-
grafen die voor elk moreel dilemma een gedetailleerd antwoord
kunnen fourneren. Maar de tien geboden vormen wel evenzo-
vele basisprincipes die door ons kunnen worden gehanteerd
als uitgangspunt, terwijl verder ons geweten ons de weg wijst.
Hierover zou nog erg veel gezegd kunnen worden, maar het
wordt tijd dat we - na deze omweg - terugkomen bij het on-
derwerp dat we aan het begin van dit hoofdstuk aansneden:
de rustdag. Want als de tien geboden nog waarde hebben, wat
doen we dan met het vierde gebod: ‘Gedenk de sabbat dat gij
die heiligt. Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen,
maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan
zult gij geen werk doen’? Hoe kunnen we dat gebod serieus
nemen? Het antwoord is erg simpel: Door gewoon te doen
wat het gebod vraagt.
Vanaf het eerste begin
Er zijn al heel wat theorieën opgesteld over de oorsprong
van de sabbat. In het Babylon van de oudheid noemde men de.120
vijftiende dag van elke maand ‘sjabattu’ De gelijkenis met het
woord ‘sabbat’ zorgde ervoor dat het vermoeden ontstond dat
de sabbat mogelijk terug te voeren zou zijn op deze Babyloni-
sche dag. Als dat zo zou zijn, zou de sabbat geen direct godde-
lijk gebod zijn, maar een verjoodst stukje Babylonische cul-
tuur. Deze theorie kan echter geen stand houden als alle be-
schikbare gegevens worden bestudeerd. De verschillend tus-
sen deze ‘sjabattu’ en de bijbelse sabbat zijn te groot dat van
ontlening kan worden gesproken.
Ook heeft men wel gedacht dat de sabbat van oorsprong
Kenitisch was. De Kenieten waren een volk dat in het
Sinaïgebied woonde. De Israëlieten trokken door dit gebied
heen op weg naar het land Kanaän en zouden toen met de
sabbat in aanraking zijn gekomen en die hebben overgeno-
men. Het gaat hierbij om pure gissingen, want we weten vrij-
wel niets van deze Kenieten.
Weer een andere theorie is dat de sabbat waarschijnlijk eerst
een marktdag was die langzamerhand een religieuze betekenis
heeft gekregen. Deskundigen die dit onderwerp uitgebreid
bestudeerd hebben komen echter tot de conclusie dat de oor-
sprong van de sabbat nog steeds een raadsel is.
Maar dat is het niet, als we de Bijbel op de allereerste blad-
zijden openslaan. Daar wordt het geheim ontsluierd hoe het
komt dat de mens zijn tijd heeft ingedeeld in eenheden van
zeven dagen en waar een wekelijkse rustdag vandaan komt.
Tijdsindelingen zoals de dag, de maand en het jaar zijn geba-
seerd op de gang van hemellichamen. Dat is bij de week niet
het geval. De week ontstond bij de schepping. God schiep
alles in zes dagen. En op de zevende dag ‘rustte’ God van zijn
werk. Zo staat het er: ‘Toen God op de zevende dag het werk
voltooid had, dat Hij gemaakt had, rustte Hij op de zevende
dag van al het werk, dat Hij gemaakt had. En God zegende de
zevende dag en heiligde die, omdat Hij daarop gerust heeft,
van al het werk dat Hij scheppende tot stand gebracht had’. 13
De week is een godsgeschenk en de wekelijkse rustdag, de sab-
bat op de zevende dag van elke week, is dat ook..121
De dag van de joden
Voordat het volk Israël de tien geboden kreeg, functioneerde
de sabbat al. Dat kan ons niet verbazen, omdat die sabbat er
vanaf het begin was geweest. Toen de Israëlieten in de woestijn
rondzwierven en er geen voedsel was, zorgde God voor een
wonder. Hij gaf elke dag voedsel, maar elke zevende dag bleef
dat voedsel uit. In plaats daarvan gaf Hij op de zesde dag een
dubbele portie. Heel duidelijk demonstreerde God daarmee
dat die sabbat voor Hem een belangrijke aangelegenheid was. 14
De belangrijkheid van de sabbat komt ook sterk naar voren
in de tien geboden. Men zou het sabbatsgebod het hart van de
wet kunnen noemen. Herhaaldelijk wordt dat onderstreept.
Mozes moest in opdracht van God tegen Israël zeggen: ‘Maar
mijn sabatten moet gij onderhouden, want dat is een teken
tussen Mij en u, van geslacht tot geslacht, zodat Gij weet, dat
Ik de Here ben, die u heilig’. 15
Een echo daarvan vinden we in de woorden van de profeet
Ezechiël, die zo’n duizend jaar later leefde: ‘Heiligt mijn sab-
batten, dan zullen deze een teken zijn tussen Mij en u, opdat
gij weet, dat Ik, de Here uw God ben’. 16
De sabbat zorgde ervoor dat de Israëlieten elke week op-
nieuw bepaald werden bij hun afhankelijkheid van God. In de
tien geboden wordt een rechtstreeks verband gelegd tussen de
sabbat en de schepping en in een enigszins afwijkende versie
van de tien geboden wordt de sabbatviering in verband ge-
bracht met de bevrijding die Israël had ervaren uit de Egypti-
sche slavernij. 17
De sabbat had een bijzondere betekenis voor de Israëlieten
die als geen ander volk de bevrijdende hand van God hadden
gevoeld. Maar het was bepaald niet de bedoeling dat de sabbat
een exclusieve aangelegenheid zou zijn voor één volk. Ook
andere volken moesten kennis maken met de sabbat en deze
dag gaan ‘heiligen’. 18 In feite was het één van de hoofdopdrach-
ten voor Israël om daarvoor te zorgen..122
De dag van Jezus Christus
Jezus keerde zich af van allerlei godsdienstige gebruiken die
Hij niet als zinvol beschouwde. 19 Hij keerde zich tegen loze
tradities en ging meer dan eens dwars tegen de gangbare ge-
woonten in. Maar op het punt van de sabbat sloot Hij zich
aan bij het patroon van zijn tijdgenoten. Hij ging ‘naar zijn
gewoonte’ op de sabbat naar de synagoge (d.w.z. de plaats van
de joodse eredienst). 20
Niet dat Jezus geen kritiek had op de manier waarop men
in zijn tijd deze dag hield. In de tijd tussen het Oude en het
Nieuwe Testament hadden de joodse wetgeleerden een minu-
tieus stelsel gefabriceerd dat nauwkeurig aangaf wat je wel en
wat je niet op de sabbat mocht doen. Daarmee was eigenlijk
het wezen van de sabbat ontkracht. De sabbat was op die ma-
nier geworden tot een loodzware last. Tegen die manier van de
sabbat houden ging Jezus in. 21 Hij liet zien dat het ook heel
anders kan. Hij gaf een volmaakt voorbeeld van hoe de sabbat
kan functioneren, zodat de mens er lichamelijk en geestelijk
wel bij vaart. Het is een voorbeeld dat navolging verdient. Want
Jezus is niet zo maar iemand. Hij is de Heer, ook de Heer van
de sabbat. 22
De leerlingen van Jezus sloten zich vanzelfsprekend bij Je-
zus’ sabbatviering aan. Ook toen Jezus er niet meer was en zij
de wereld introkken om het goede nieuws te vertellen, bleef de
sabbat deel uitmaken van hun leefpatroon. Van Paulus lezen
we steeds dat hij op sabbat naar de synagoge ging. 23
Als er een verandering zou zijn geweest, dan had het Nieuwe
Testament ons daar zorgvuldig over ingelicht. Maar het Nieuwe
Testament gaat uit van de veronderstelling dat de sabbat een
zo vanzelfsprekend onderdeel is van de christelijke geloofsvisie,
dat daar verder geen woorden aan behoeven te worden gewijd.
Jezus had toch immers een duidelijk voorbeeld gegeven. En
Hij had toch gezegd dat Hij niet gekomen was om de wet
teniet te doen, maar juist om die aan ons voor te leven! Hoe
zouden er dan misverstanden kunnen ontstaan?.123
Een langzame verandering
De verandering van sabbat naar zondag vond niet plaats
van de ene dag op de andere. Vooral de laatste tijd is nogal wat
historisch onderzoek gedaan naar de vraag hoe en wanneer die
verandering precies in zijn werk is gegaan. Daarbij is gebleken
dat het een nogal ingewikkeld proces is geweest. Op sommige
plaatsen werd aan het einde van de eerste eeuw en in het begin
van de tweede eeuw de zondag gevierd naast de sabbat. In de
tweede helft van de tweede eeuw begon op veel plaatsen de
zondag de overhand te krijgen. Verschillende christelijke lei-
ders gingen beweren dat de sabbat een joodse aangelegenheid
was en dat christenen de dag waarop Jezus uit de dood was
opgestaan moesten gedenken. Toch was die gedachtengang niet
algemeen. De geschiedschrijver Socrates meldt in de derde eeuw
dat in zijn dagen de sabbat nog overal werd gevierd, behalve in
Alexandrië en Rome.
In het veranderingsproces heeft de kerk van Rome inder-
daad een doorslaggevende rol gespeeld. Maar ook de Romeinse
keizer was erbij betrokken. Keizer Constantijn maakte in 321
de zondag de officiële rustdag voor zijn christelijke rijk.
Dat gebod deed de sabbat niet overal verdwijnen. Er bleven
mensen die meenden dat de sabbat de bijbelse rustdag was.
De Kelten ten tijde van Columba (521-597) bleven in groten
getale de sabbat houden. In Phrygië in Klein-Azië waren er
tussen de achtste en twaalfde eeuw groepen mensen die dat
ook deden.
Dergelijke groepen waren er ook in West-Europa in de
twaalfde eeuw, in Noorwegen in de vijftiende eeuw en in Zwe-
den en Finland in de zestiende eeuw. Ook onder de Walden-
zen waren er sabbatvierders. Toen de kerkhervorming aanbrak
kwam de vraag ‘sabbat of zondag’ ook aan bod. Luther werd
met het probleem geconfronteerd, maar sprak zich tegen de
sabbat uit. De meer radicale hervormers - de Anabaptisten -
wilden niet alleen het herstel van de doop door onderdompe-
ling, maar sommigen onder hen streden ook voor het herstel.124
van de rustdag op de zevende dag van de week. De Zevende-
dags Baptisten die aan het einde van de zestiende eeuw in En-
geland ontstonden en sinds 1671 ook in de Verenigde Staten
vertegenwoordigd waren, kunnen op deze Anabaptisten wor-
den teruggevoerd.
Samenvattend kan men zeggen dat de verandering van sab-
bat naar zondag een puur menselijke, grotendeels politieke zaak
is geweest (waarbij de invloed van het heidendom met zijn
zonnecultus niet onbelangrijk was), maar dat er altijd wel
mensen (zij het een kleine minderheid) zijn geweest, die zich
daar niet bij wilden neerleggen, maar de bijbelse rustdag in ere
hebben gehouden.
Is de opstanding dan niet belangrijk?
Wie vraagt waarom de meeste christenen de zondag als rust-
dag houden, zal meestal het antwoord krijgen dat de zondag
de dag is waarop Jezus is opgestaan en dat die dag daarom
boven alle andere dagen uitsteekt. En, zo zegt men er dan vaak
bij, de opstanding is toch wel zo belangrijk dat men daar elke
week bij stil moet staan. Dat laatste moet zonder meer worden
toegegeven. De opstanding van Jezus is de basis voor het chris-
telijke geloof. Het is de grootste gebeurtenis die ooit heeft
plaatsgevonden. Eens per week daaraan denken is het absolute
minimum. Het is een thema dat eigenlijk elke dag in onze
gedachten moet zijn.
Maar belang hechten aan Jezus’ opstanding en overwinning
over de dood, wil niet zeggen dat onze belangstelling voor iets
anders dat ook heel belangrijk is, moet vervagen en de sabbat
dan maar moet verdwijnen. De sabbat is een goddelijke instel-
ling. Ten onrechte hebben mensen zich aan die dag vergrepen.
Helemaal onverwacht was dat niet, want de profeet Daniël
voorspelde al dat er een poging gedaan zou worden om Gods
wet en de goddelijke tijdsindeling te veranderen. 24 De afkeu-
ring die daar over wordt uitgesproken is wel zo duidelijk dat.125
niemand die daarvan op de hoogte is zich in het kamp zou
willen bevinden van hen die zó met Gods geboden omsprin-
gen.
Een streepje voor?
Hebben mensen die zich aan de sabbat houden bij God
dan een streepje voor en zouden al die mensen die het bij de
zondag houden door God veroordeeld worden?
Niemand heeft het recht om op Gods rechterstoel te gaan
zitten. Maar een paar dingen staan vast. In de eerste plaats kan
men nooit Gods goedkeuring verdienen. Wij kunnen niet bij
God in een goed blaadje komen door krampachtig alle gebo-
den tot op de letter na te volgen. God accepteert ons op grond
van ons geloof. Maar is het dan niet vanzelfsprekend om, als
blijk van dankbaarheid, Gods richtlijnen helemaal au sérieux
te nemen en Hem te laten blijken dat we bereid zijn te doen
wat Hij vraagt? Zou iets ons te veel kunnen zijn na wat God
voor ons heeft gedaan?
In de tweede plaats moeten we dan bedenken dat God het
zwaar opneemt als wij denken dat we onze eigen regels in de
plaats van zijn regels kunnen stellen. We eren God ‘tevergeefs’
als we het zo aanpakken. 25 God verwacht van ons dat we con-
sequent zijn. Wij mogen denken dat het niet veel uitmaakt of
we nu de ene dag aan God wijden of de andere. Maar God
denkt daar niet zo over. De sabbat is voor Hem iets heel
speciaals, een dag waar Hij een bijzondere zegen aan verbon-
den heeft. 26 De vraag is: Willen we God trouw zijn, ook als het
iets kost? Ook als er wat maatschappelijk ongemak aan ver-
bonden is?
In de derde plaats moeten we goed beseffen, dat Gods op-
vatting over het vieren van de sabbat heel wat anders inhoudt
dat de wijze waarop de meeste mensen de zondag doorbren-
gen. Dat is belangrijk genoeg om nog even op in te gaan..126
Heiligen
In het gewone spraakgebruik klinkt het woord ‘heilig’ een
beetje griezelig, maar in de Bijbel is het een heel gewoon woord.
Het heeft de betekenis van ‘apart zetten voor een bepaald doel’.
Als de ‘gelovigen’ worden aangesproken als ‘heiligen’ (wat heel
vaak gebeurt), moet men daar niet uit afleiden dat het over
mensen gaat die nooit meer iets verkeerds doen, maar over
mensen die uit de grauwe massa zijn losgekomen en een dui-
delijk doel nastreven.
Een dag ‘heiligen’ wil zeggen een dag apart houden voor
een bepaald doel. De sabbat heiligen wil dus zeggen de sabbat
tot een andere dag maken als alle andere dagen; ervoor zorgen
dat de sabbat eruit springt. Hoe, dat zal iedereen zelf moeten
invullen. Maar al lezend in de Bijbel ontdekken we wel dat er
verschillende elementen zijn die daarbij een rol spelen. In de
eerste plaats vormt de sabbat natuurlijk een onderbreking van
het normale werk. Dat is in onze tijd niet meer zo iets bijzon-
ders, want de meeste werknemers in West-Europa hebben nu
een vijfdaagse werkweek.
Het volgende punt is dat het een dag is waarop God in het
middelpunt van onze belangstelling moet staan. Dat is niet
even naar de kerk gaan en daarna de rest van de dag karweitjes
doen. God moet de hele dag centraal staan in ons doen en
denken. Het is daarbij ook de dag bij uitstek om bezig te zijn
met onze medemensen, onze gezinsleden, maar ook de men-
sen die wat verder weg staan. Het is de dag om erop uit te gaan
en van Gods natuur te genieten. Kortom, het is een dag die
helemaal anders is dan alle andere dagen.
Dat zal dan wel een vervelende dag zijn, zullen sommigen
misschien denken, die opgegroeid zijn met het niet-fietsen-
op-zondag en deze manier van denken nu getransporteerd zien
naar de sabbat. Niets is minder waar. Wie de sabbat ervaart als
een last en alleen oog heeft voor een catalogus van geboden en
verboden, van wat je die dag wel en vooral niet mag doen,
heeft het geheim van de sabbat niet ontdekt..127
De sabbat moet vooral ook een gezellige dag zijn, waarop je
het echt naar je zin hebt. Misschien moeten we wat dat betreft
wat leren van de joden die, ook al in bijbelse tijden, het
gezelligheidselement op ongeëvenaarde wijze wisten te ver-
binden met godsdienstige feestdagen.
Met het woord geheim is de sabbat het beste getypeerd. Wat
het vieren van de sabbat voor je betekent, ontdek je pas als je
ermee begint. Dan ontdek je dat het iets heel anders is dan
alleen maar je rustdag van de ene naar de andere dag verschui-
ven. Ik kan niet verklaren hoe dat komt. Het zou kunnen dat
je het houden van een rustdag op een dag waarop de meerder-
heid gewoon zijn dagelijkse gang gaat, veel intensiever ervaart
en die dag dus meer voor je gaat betekenen. Maar in diepste
wezen is die bijzondere ervaring terug te voeren op de zegen
die God aan die dag verbonden heeft.
Ons antwoord
Wat in dit hoofdstuk is gezegd is heel simpel. God heeft in
een tiental regels duidelijk gemaakt wat de normen zijn voor
ons gedrag. Er is geen enkele reden te bedenken waarom die
regels nu niet meer zouden gelden. Eén van die regels is het
houden van de rustdag op de zevende dag van de week, d.i. de
huidige zaterdag. Christus heeft die regel niet veranderd. De
apostelen die bij Jezus in de leer waren geweest, hebben dat
ook niet gedaan. De verandering is een latere ontwikkeling
die Gods goedkeuring niet heeft. God wil dat zijn volgelingen
consequent zijn. Dat mag Hij ook wel verwachten. Hij heeft
immers alles gegeven wat Hij had om ons uit de zonde op te
beuren. Zouden wij dan terugschrikken voor de gehoorzaam-
heid die Hij van ons vraagt? Zou onze liefde voor God niet zo
ver kunnen gaan dat we zonder tegenspartelen doen wat Hij
vraagt?
Wanneer Johannes in de Openbaring de gelovigen van de
‘eindtijd’ identificeert, noemt hij als één van de kenmerken.128
het houden van de geboden. 27 Het is zo eenvoudig, dat het
verbijsterend is dat zo vele mensen eraan voorbij gaan.
1. Matteüs 5:17,18.
2. Matteüs 5:21-32.
3. Romeinen 3:31.
4. Romeinen 1:17.
5. Jakobus 2:14.
6. Jakobus 2:26.
7. Jakobus 2:8, 12.
8. Jakobus 2:10.
9. 1 Johannes 2:6.
10. Matteüs 22:37, 38.
11. Deuteronomium 6:5.
12. Zie Exodus 20:1-17 en Deuteronomium 5:6-21.
13. Genesis 2:2, 3.
14. Exodus 16.
15. Exodus 31:13.
16. Ezechiël 20:20, zie ook vers 12.
17. Exodus 20:11; Deuteronomium 5:15.
18. Zie b.v. Jesaja 56:1-8.
19. Zie b.v. Marcus 2:18-20.
20. Lucas 4:16, 31.
21. Zie o.a. Marcus 2:23-28; Matteüs 12:1-8; Lucas 6:1-5 en Matteüs 12:9-
14 en alle parallelle teksten.
22. Matteüs 12:8; Marcus 2:28; Lucas 6:5.
23. Handelingen 17:3.
24. Daniël 7:25.
25. Matteüs 15:9; Marcus 7:7.
26. Genesis 2:3.
27. Openbaring 12:17; 14:12..129
GODDELIJKE ECONOMIE
Van alle kanten wordt ons duidelijk gemaakt dat we niet
alleen op de wereld zijn. We hebben te maken met onze mede-
mens die ook recht heeft op een menswaardig bestaan. We
kunnen onze westerse welvaart niet op egoïstische manier al-
leen voor onszelf houden. We kunnen de energiebronnen niet
zorgeloos opmaken en de volgende generatie met onoplosbare
problemen opzadelen. We kunnen niet toelaten dat het milieu
zo wordt aangetast, dat het leven voor grote groepen mensen
nu en na ons onleefbaar wordt.
Gelukkig worden steeds meer mensen zich van hun verant-
woordelijkheid bewust. Het is echter niet voldoende zich ver-
antwoordelijk te voelen jegens andere mensen - hoe belangrijk
dat ook is. Men moet zich in de allereerste plaats verantwoor-
delijk weten tegenover God. De menselijke opdracht is niet
alleen zo te leven dat wijzelf en onze medemensen een mens-
waardig bestaan hebben, maar ook ervoor te zorgen dat God
de plaats krijgt in ons denken en doen die Hem toekomt.
Alles is van God
Wie uitgaat van het feit dat God de Schepper is, legt daar-
mee vast dat God de Eigenaar is van alles - van alles wat het
heelal en van alles wat deze aarde te bieden heeft: de natuur,
de dieren en de mensen. De Bijbel onderstreept dat telkens
weer. 1 Onze positie kan het beste omschreven worden met het
misschien wat ouderwets klinkende woord ‘rentmeester’. Wij
moeten namens God zijn bezit naar ons beste vermogen behe-
ren. Direct na de schepping werd de eerste mens opgedragen
om in naam van God over de schepping te heersen. 2 Het eer-.130
ste wat de mens deed was de dieren van een naam voorzien,
zodat de schepping voor hem enigszins overzichtelijke zou
worden. 3 Hij kreeg verder de taak de tuin, waarin God hem
geplaatst had, te verzorgen. 4 Na de zondeval werd die opdracht
verder uitgebreid en werd hem gezegd de aarde te cultiveren. 5
God verwacht veel van de mens. De mens is niet voor niets
een van de hoogste schepselen, die maar in weinig voor de
engelen onderdoet. 6
God ziet graag dat het de mens goed gaat bij het volvoeren
van die taak. Uit de vele beloften die God aan het volk Israël
gaf, blijkt duidelijk dat materiële voorspoed een voor God heel
acceptabel ideaal is. Zelfs rijkdom wordt door God niet ver-
oordeeld, als die eerlijk verkregen is. Het belangrijkste is dat
de mens zijn plaats weet: beheerder van wat hem door God is
toevertrouwd.
Beheerder van de aarde
God dienen heeft regelrecht te maken met de zorg voor het
milieu. Helaas hebben veel christenen hun opdracht niet vol-
doende serieus genomen en moeten allerlei actiegroepen die
strijden voor het behoud van het milieu, de kerken op dat
punt wakker schudden. Het vernielen van grote stukken na-
tuurgebied, de ondergang van vele diersoorten, de verstoring
van het biologisch evenwicht op vele plaatsen - om maar een
paar dingen te noemen - gaat regelrecht in tegen de opdracht
van de mens om de aarde te cultiveren. Op ongehoord onver-
antwoordelijke wijze is met de bronnen van de natuur omge-
sprongen. En hoewel er op veel plaatsen een proces van be-
wustwording op gang gekomen is, gebeuren er nog steeds din-
gen die van een uitermate slecht rentmeesterschap getuigen.
Een christen behoeft niet tegen alle vooruitgang te zijn. De
voortgang van de techniek heeft veel goeds gebracht. Niemand
kan dat echt betwijfelen. Maar evenmin kan men momenteel
nog bestrijden dat de technologische ontwikkelingen in de hand
moeten worden gehouden en dat er ‘grenzen zijn aan de groei’..131
Er komt een eind aan de hoeveelheid land die aan asfaltwegen
kan worden opgeofferd. Er zijn grote (misschien te grote) risi-
co’s verbonden aan de bouw van kerncentrales. Er komt een
moment - en volgens velen is dat al gekomen - dat de produk-
tie van allerlei kunststoffen moet worden afgeremd.
Steeds meer wordt kritiek geleverd op de ons vertrouwde
maatschappijvorm die gericht is op de vervaardiging van steeds
grotere hoeveelheden consumptiegoederen met korte levens-
duur, door machines die steeds meer door computers in plaats
van door mensen gestuurd worden. Er wordt geroepen om
een nieuwe levensstijl, die meer ruimte geeft aan de mens en
zijn ontplooiing en waarbij men tracht de nare bijverschijnse-
len van de westerse welvaart in te tomen. Welzijn in plaats van
louter welvaart, is een veelgehoorde kreet.
Christenen dienen in de voorste gelederen te staan in deze
maatschappijkritische stellingname. Want het kan christenen
die de Bijbel lezen en zich ernstig afvragen wat Gods bedoe-
lingen zijn met de schepping, niet ontgaan, dat er heel wat is
dat op zijn minst moet worden bijgestuurd.
Realistisch
Maar laten we realistisch zijn. We kunnen (en moeten) pra-
ten over structuren die veranderd moeten worden, maar of dat
veel concrete resultaten heeft, lijkt twijfelachtig. Laten we
daarom eens bekijken op welke gebieden wel directe resulta-
ten te boeken zijn. Er is een aantal mogelijkheden in ons privé-
leven die ons allerlei kansen biedt om ons ‘rentmeesterschap’
vorm te geven. We behoeven maar te denken aan onze ge-
zondheid, onze persoonlijke talenten, onze tijd en ons bezit.
Ons lichaam is belangrijk
God dienen heeft niet alleen met ons innerlijk te maken.
Paulus vermaant de christenen van de gemeente te Rome om.132
hun lichamen te stellen ‘tot een levend, heilig en Gode welge-
vallig offer’. 7 In één van zijn andere brieven, namelijk in die
aan de Korintiërs, zegt hij het nog indringender: ‘Of weet gij
niet, dat uw lichaam een tempel is van de heilige Geest, die in
u woont, die gij van God ontvangen hebt, en dat gij niet van
uzelf zijt? Want gij zijt gekocht en betaald. Verheerlijkt dan
God met uw lichaam’. 8 Dat is dus het ondubbelzinnige uit-
gangspunt: We zijn niet van onszelf. We zijn Gods eigendom.
We moeten ons lichaam op de juiste manier beheren.
Als moderne mensen moet ons dat zeker aanspreken. Het is
zo langzamerhand wel algemeen bekend dat er een intense
wisselwerking is tussen geest en lichaam. Heel wat mensen
zijn ziek, omdat ze psychisch niet in orde zijn. We spreken
over psychosomatische ziekten, d.w.z. ziekten met lichame-
lijke gevolgen, maar veroorzaakt door psychische factoren. En
aan de andere kant is ook een positieve instelling een heel be-
langrijke factor als men gezond wil worden of blijven.
‘Een gezonde geest in een gezond lichaam’, zegt men te-
recht. Daarom moet men er alles aan doen om zijn lichaam in
een zo optimaal mogelijke conditie te houden. Dat heeft altijd
gegolden, maar dit geldt in steeds heviger mate in onze tijd
van stress waarin het levenstempo steeds sneller wordt. Re-
creatie, rust, voldoende lichaamsbeweging en gezond eten zijn
net zo goed onderdeel van een christelijke leefwijze als bidden
en in de Bijbel lezen.
Wat ge ook eet of drinkt . . .
Gelukkig gaat er een golf van bewustwording door onze
westerse wereld op het punt van onze voedingsgewoonten.
Steeds meer mensen beginnen te beseffen dat we op een ver-
keerd spoor zitten met allerlei kant-en-klaar produkten vol
kleurstoffen, met allerlei calorie-rijke en cholesterol-rijke voe-
dingsmiddelen en allerlei gedenatureerde produkten. De vraag
naar gezonde voeding begint een steeds grotere omvang te.133
nemen. Voor sommigen is gezond eten een obsessie geworden
waar men de hele dag mee bezig is. Maar dat wil niet zeggen
dat men zich door het voorbeeld van deze overdreven gezond-
heidsmaniakken ertoe moet laten verleiden onverschillig te
blijven staan ten opzichte van wat men eet.
In het allereerste begin gaf God de mens voorschriften voor
een gezond dieet. Hij gaf niet alles wat wij nu eten vrij voor de
menselijke consumptie. ‘Ik geef u al het zaaddragend gewas
op de gehele aarde en al het geboomte, waaraan zaaddragende
vruchten zijn’. 9 Pas na de zondeval werd de voeding uitgebreid
met groenten. 10 En na de wereldwijde zondvloed in de tijd
van Noach gaf God de mens voor het eerst toestemming om
het vlees van bepaalde dieren te eten. 11 Er werd onderscheid
gemaakt tussen ‘reine’ en ‘onreine’ dieren en alleen die eerste
categorie werd, wegens gebrek aan ander voedsel, toegelaten
als voeding. 12
De joden hebben dit onderscheid tussen ‘kosjer’ en ‘niet-
kosjer’ altijd vastgehouden. Daarin zijn ze voor de meeste chris-
tenen een voorbeeld geweest, want er is geen aanleiding om te
veronderstellen dat God later zijn bedoelingen zou hebben
gewijzigd en ook de ‘onreine’ dieren voor menselijke consump-
tie zou hebben bestemd. 13 Welke redenen God had om dit
onderscheid te maken tussen ‘rein’ en ‘onrein’ is niet in alle
opzichten duidelijk. Vast staat dat sommige soorten ‘onrein’
vlees, zoals varkensvlees, minder gezond zijn dan andere vlees-
soorten.
Meer en meer wordt door velen benadrukt dat helemaal
geen vlees te eten, Gods oorspronkelijke bedoelingen wellicht
nog het meest benadert. Hoe men daar ook tegenover mag
staan, feit is wel, dat er momenteel heel goede vervangings-
middelen zijn voor vlees en dat een geringere vleesconsumptie
in het belang zou kunnen zijn van de wereldvoedselsituatie.
Zonder ons verder in voedingsaangelegenheden te verdiepen,
willen we nog wel onderstrepen wat in de al eerder genoemde
brief aan de Korintiërs geschreven staat: ‘Of ge dus eet of drinkt
. . . doet het alles ter ere Gods’. 14.134
Een tempel van God
Wie beseft dat zijn lichaam een ‘tempel’ is waarin God door
zijn heilige Geest woont, zal zijn lichaam niet met opzet schade
toebrengen. Dat lijkt logisch, maar toch zijn er veel christenen
die zich aan dat punt helemaal niet storen. De grens tussen
rokers en niet-rokers loopt bijvoorbeeld niet tussen niet-chris-
tenen en christenen. Ook veel gelovigen dampen er rustig op
los. Gezien de stand van het huidige wetenschappelijk onder-
zoek is dat onbegrijpelijk. Want roken is zonder meer zeer scha-
delijk voor het lichaam. Het is een verslaving die allerlei licha-
melijke klachten en kwalen veroorzaakt, waarvan longkanker
een zeer gevreesd, maar bepaald niet het enige voorbeeld is.
Wie kan oprecht beweren, dat hij zijn lichaam goed beheert
als hij toch blijft roken?
In zekere zin geldt dat ook voor het gebruik en zeker voor
het misbruik van alcohol. Het is moeilijk om met de Bijbel in
de hand aan te tonen dat gebruik van alcohol door God ver-
boden werd. Maar het is niet moeilijk om te laten zien dat
God geen goed woord over had voor misbruik van sterke
drank. 15 En gezien de enorme sociale en andere gevolgen van
alcoholgebruik in onze maatschappij, zouden alle christenen
met elkaar behoren af te spreken dat zij geen druppel meer
zullen drinken. Want alleen op die manier kan men het alcohol-
probleem op een geloofwaardige manier bestrijden. Hier ligt
een stuk sociale verantwoordelijkheid waaraan een gelovig mens
zich niet mag onttrekken.
Wat we hierboven vaststelden ten aanzien van tabaks- en
alcoholverslaving geldt natuurlijk nog veel sterker als het gaat
om het gebruik van drugs. Drugs - of het nu soft drugs of hard
drugs zijn - zijn een zo groot gevaar voor de volksgezondheid,
dat al het mogelijke moet worden gedaan om dit kwaad in te
dammen en natuurlijk om de slachtoffers te helpen - hoe moei-
lijk dat ook blijkt te zijn. Het lichaam als een tempel van God
en hasj of heroïne zijn dingen die zich niet met elkaar laten
verzoenen..135
Tijd
Het aantal mensen dat steeds in tijdgebrek verkeert neemt
voortdurend toe. Dat is des te merkwaardiger, nu we vrijwel
allemaal een vijfdaagse werkweek kennen en, officieel althans,
over veel meer vrije tijd beschikken dan de mensen vroeger.
Meer dan ooit is het noodzakelijk de kunst te leren verstaan
om de beschikbare tijd goed in te delen. Een mens moet baas
zijn over zijn tijd. Hij moet niet geleefd worden en voortdu-
rend achter zichzelf aanhollen. Hij moet kiezen tussen dingen
die de moeite waard zijn om tijd aan te besteden en dingen die
niet waardevol genoeg zijn om tijd aan te spenderen. Hij moet
de juiste prioriteiten stellen. Dat betekent dus allereerst dat
God voldoende tijd van ons krijgt. Zoals we in het vorige hoofd-
stuk zagen is een zevende van onze tijd niet van onszelf. Elke
zevende dag wordt door God opgeëist voor een specifiek doel.
Daar kunnen we nooit mee marchanderen, hoe druk we het
ook denken te hebben. Maar als we een zevende van onze tijd
aan God hebben gewijd, wil dat niet zeggen dat we met de rest
kunnen doen wat we willen. Tijd is immers een van de kost-
baarste dingen die er zijn.
Het gebruik dat we van onze tijd maken blijft God niet
onverschillig. Er moet elke dag tijd zijn voor God. Er moet
ook tijd gemaakt worden voor de mensen om ons heen, voor
ons gezin of voor anderen in onze directe omgeving. Er moet
tijd zijn voor onszelf, voor rust en recreatie. Dat kan allemaal,
als we onze tijd goed leren benutten. Wie zijn tijd bewust in-
deelt, ontdekt dat hij, zelfs bij een drukke baan en bij alle
sociale verplichtingen die hij heeft, ook tijd kan overhouden
voor allerlei ideële activiteiten. Ook wat onze tijd betreft moe-
ten we goede rentmeesters zijn!
Talenten
Jezus vertelde eens een interessant verhaal over iemand die
een buitenlandse reis ging maken en voor zijn vertrek zijn per-.136
soneel bij zich riep om hen de nodige instructies te geven. 16
Hij gaf aan één van zijn knechten vijf talenten. Een ander kreeg
twee talenten, terwijl een derde er maar één kreeg. De man
met de vijf talenten ging aan de slag. Hij deed goede zaken en
verdiende er vijf bij. De man met de twee talenten deed het-
zelfde. Ook hij wist het hem toevertrouwde te verdubbelen.
De man die één talent gekregen had, pakte het echter anders
aan. Hij groef een gat in de grond en verborg het geld van zijn
baas.
Na verloop van lange tijd kwam de man van zijn buiten-
landse reis terug. Hij riep toen zijn personeel opnieuw bij zich
om te horen hoe het hun vergaan was. Hij hoorde het goede
nieuws van de man die zijn vijf talenten tot tien had gebracht
en van de man die zijn twee talenten had verdubbeld. Zij wer-
den beiden uitvoerig geprezen. Maar die ene knecht, die zijn
talent had begraven, kreeg een verschrikkelijke uitbrander. Hem
werd verweten dat hij helemaal niets had gedaan. Hij had het
geld tenminste nog tegen rente kunnen uitzetten, zodat het
iets in waarde zou zijn gestegen. Voor deze knecht was geen
goed woord over.
Dit verhaal - één van de vele gelijkenissen die Jezus vertelde
- heeft een duidelijke les. We hebben allemaal bepaalde moge-
lijkheden en gaven. De één is er rijker mee bedeeld dan de
ander. Dat is helemaal geen schande. Het komt er echter op
aan wat men met zijn mogelijkheden - zijn talenten - doet.
Wie veel natuurlijke talenten heeft meegekregen is niet ont-
slagen van de verplichting om deze mogelijkheden tot het ui-
terste te ontplooien. Wie minder gaven heeft, zal het optimale
moeten doen met dat wat hij meekreeg. Iedereen heeft wel de
één of andere gave waarvoor hij verantwoordelijk is. Het wordt
ons kwalijk genomen als we met onze gaven - hoe gering die
misschien ook zijn - niets zouden doen.
Iedereen is in staat om dit verhaal op zijn eigen situatie toe
te passen. Wie een beetje zelfkennis heeft, weet wel ongeveer
wat hij kan. Het kan verder geen kwaad als we elkaar op be-
paalde mogelijkheden attent maken. En wie er dan niets mee.137
doet, is niet alleen dom, maar is bovendien schuldig: hij is een
onwaardig rentmeester die niet doet wat God van hem ver-
wacht!
Geld
Geld speelt een heel belangrijke rol in vrijwel elk mensenle-
ven. Wie kan beweren dat geld voor hem geen rol speelt, heeft
meestal meer dan genoeg op de bank. Geld houdt velen zo in
de ban, dat ze aan maar weinig anders kunnen denken. Maar
ook degenen die iets minder aan het geld verknocht zijn, ver-
welkomen een financiële meevaller en zien uit naar een salaris-
verhoging. Altijd zijn er wel weer dingen die we nog niet heb-
ben, die we toch zo graag zouden kopen. Er zijn altijd weer
nieuwe wensen en verlangens. Hoewel lang niet iedereen rond-
uit ontevreden is, kent bijna iedereen dat verlangen naar méér.
Geld maakt niet gelukkig, beweert men. Tot op zekere
hoogte is dat waar. Geluk bestaat uit meer factoren dan alleen
materiële voorspoed. Maar men kan niet ontkennen, dat de
materie toch wel een belangrijke bijdrage levert tot het mense-
lijk geluk. Geld hebben is niet verkeerd. Zelfs rijk zijn is geen
zonde. Egoïstische rijkdom is dat wel. En bezeten zijn door
geld en bezit is dat ook. 17
Remedie tegen egoïsme
We zeiden het al enkele malen: God is de Eigenaar van al-
les. Strikt genomen is onze spaarrekening en ons bezit dus niet
van onszelf, maar van God. 18 Wij zijn ook wat dat betreft be-
heerders. We hebben ons bezit zo te besteden dat God ermee
akkoord kan gaan.
In de eerste plaats houdt dat natuurlijk in, dat we een deel
van wat we hebben afstaan om de belangen van God in deze
wereld veilig te stellen. Aan de joden in oudtestamentische
tijden vroeg God een vast percentage van tien procent. 19 Dat.138
deel was bestemd om de dienst van het heiligdom met alles
wat daarbij hoorde goed te laten verlopen. In Jezus’ dagen was
het nog steeds een vanzelfsprekende gewoonte om die tien
procent aan de zaak van God te besteden. 20 Nergens vinden
we in het Nieuwe Testament de suggestie dat deze manier van
geven voor de zaak van God als achterhaald moet worden be-
schouwd. 21
Tien procent gaat natuurlijk wel in de papieren lopen. Het
schrikt dan ook menigeen af. Maar zou die tien procent te veel
zijn, als we echt beseffen dat God de Eigenaar is van alles? Zou
tien procent te veel zijn als we ons realiseren wat Hij ons alle-
maal geeft?
Een tiende van ons bezit aan God afstaan lijkt een enorm
offer. Maar dat is het niet. Het is een vanzelfsprekendheid. En
het is een voorrecht. Bovendien is het de beste remedie die er
is om te ontkomen aan de ban van het geld. Steeds weer tien
procent van ons loon of salaris afnemen en besteden voor de
zaak van God, is een daad die ons helpt ons egoïstisch materi-
alisme de kop in te drukken.
Wat geldt voor onze tijd, geldt ook voor ons bezit. Als we
een zevende van onze tijd aan God wijden, wil dat niet zeggen
dat het God niets aangaat wat we met de andere zes dagen
doen. Zo kunnen we ook niet stellen dat we met de negen-
tiende van ons bezit kunnen doen wat we willen, als we God
tien procent hebben teruggegeven. We hebben die negentig
procent verstandig te beheren. Daarbij hebben we rekening te
houden, niet alleen met onszelf, maar ook met onze mede-
mensen, dichtbij en ver weg, zowel met onze gezinsleden als
met de mensen in de derde wereld.
Het lijkt een waagstuk om over te gaan op de regels van de
goddelijke economie. Maar het is de moeite waard het te pro-
beren. Want wie de goddelijke regels aanhoudt krijgt te ma-
ken met dingen die zich niet in geld laten uitdrukken: de ze-
gen van God. 22 Aan die zegen van God is alles gelegen..139
Praktisch
Geloven in God is al met al een heel praktische aangelegen-
heid. Het is meer dan een stelsel van dogma’s. Het is een le-
vensstijl, een radicale levensstijl, maar wel een manier van le-
ven die uitvoerbaar is en die bovendien onvergelijkbaar veel
voldoening schenkt. Wilt u nog wat nauwkeuriger weten hoe
die levensstijl eruit ziet? Lees dan opnieuw het verhaal van
Jezus in het Nieuwe Testament. Dan ziet u het beeld van de
perfecte Beheerder - de volmaakte Rentmeester. En nogmaals:
christen-zijn betekent Hem navolgen!
1. Zie b.v. Haggaï 2:9.
2. Genesis 1:28.
3. Genesis 2:20.
4. Genesis 2:15.
5. Genesis 3:17-19.
6. Psalm 8:6.
7. Romeinen 12:1.
8. 1 Korintiërs 6:19, 20.
9. Genesis 3:18.
10. Genesis 3:18.
11. Genesis 9:1, 4.
12. Genesis 7:2; 8:20; Leviticus 11; Leviticus 3:17; 7:23, 26.
13. Ten onrechte wordt soms een beroep gedaan op het verhaal in Hande-
lingen 10, als zou daaruit blijken dat het onderscheid tussen ‘rein’ en
‘onrein’ zou zijn opgeheven. Uit het verband blijkt dat het hier gaat om
een les die de apostel Petrus moest leren. Hij mocht geen onderscheid
maken tussen groepen mensen, doch moest het evangelie aan iedereen
brengen, joden zowel als heidenen.
14. 1 Korintiërs 10:31.
15. Zie b.v. Spreuken 20:1; 23:29-32; 31:4, 5.
16. Matteüs 25:14-30.
17. Zie Matteüs 19:16-26.
18. Haggaï 2:9.
19. Zie Genesis 28:20-22; Leviticus 27:30-32; Numeri 18:21, 24; Male-
achi 3:8-12.
20. Matteüs 23:23.
21. Integendeel, zie 1 Korintiërs 9:11-14 en Hebreeën 7:1-6, 14-17.
22. Maleachi 3:10..140
GELOVEN DOE JE SAMEN
De Egyptenaar Antonius trok omstreeks het jaar 275 de
woestijn in en verbleef meer dan twintig jaar in volstrekte een-
zaamheid om zo God beter te dienen. Simon de Pilaarheilige
(390-459) zocht het topje van een 25-meter hoge pilaar op
om zich, ver weg van de mensen, beter op het goddelijke te
kunnen concentreren. Monniken en kloosterzusters zochten
bij duizenden de kloosters op om in afzondering van de we-
reld, vaak ook zonder contact met andere bewoners van het
klooster, een leven van gebed en meditatie te kunnen leiden.
Bewust de eenzaamheid opzoeken en je jarenlang van de
mensen afzonderen, om op die manier God beter te kunnen
dienen, spreekt nu nog maar weinig mensen aan. Hoe moeten
we dat beoordelen? Is dat jammer, omdat een waardevol aspect
van de christelijke traditie verloren dreigt te gaan? Of behoe-
ven we er niet rouwig om te zijn dat deze vorm van geloofs-
beleving verdwijnt?
Geloven in je eentje?
Misschien zijn er niet zoveel mensen meer die bewust het
isolement zoeken om daardoor hun geloof intenser te kunnen
beleven. Maar er schijnen wel veel mensen te zijn die zeggen
dat ze best kunnen geloven zonder bij een kerk te horen. Ze
gaan niet naar kerkdiensten, zijn geen (actief ) lid van een ker-
kelijke groepering, maar willen beslist niet als ongelovig wor-
den aangemerkt. Geloof is een persoonlijke zaak, waar je ver-
der geen andere mensen bij nodig hebt, zeggen zij.
Uit de praktijk blijkt, dat het inderdaad mogelijk is om diep
gelovig te zijn, ook al heb je geen contacten met gelijkgerichten..141
Er zijn voorbeelden van mensen die door allerlei omstandig-
heden nooit of vrijwel nooit een kerkdienst hebben kunnen
bezoeken en die zelfs nooit zijn gedoopt, maar toch een rots-
vaste relatie met hun Heer onderhouden. Als we naar een bij-
bels voorbeeld zoeken, denken we onwillekeurig aan de apos-
tel Johannes. Op hoge leeftijd was hij verbannen naar het ei-
landje Patmos in de Egeïsche Zee. 1 Zijn gedwongen jarenlange
verblijf op die plaats deed hem zijn geloof niet verliezen. Inte-
gendeel: zijn geestelijke beleving was juist van dien aard, dat
God besloot hem de geweldige serie visioenen te geven die we
in de Openbaring beschreven vinden.
Als we in het recentere verleden zoeken, kunnen we wijzen
naar mannen en vrouwen in concentratiekampen en gevange-
nissen, die ondanks alles vasthielden aan hun geloof.
Het is zeker mogelijk om zonder wekelijkse kerkgang en
zonder kerkelijk lidmaatschap in God te geloven. Maar de vraag
is wel of het de goede weg is, als het ook anders kan.
God brengt mensen bij elkaar
De belangrijkste reden om bij een kerk te behoren is dat uit
de Bijbel heel duidelijk blijkt dat God de kerk heeft gewild.
De kerk is geen toeval. Zij is niet het gevolg van een grillige
speling van het lot of het werk van een groepje tot club-vor-
ming geneigde individuen.
God richt Zich tot enkelingen. Wij kunnen alleen behou-
den worden door een persoonlijke keuze te maken. Niemand
anders kan dat voor ons doen. God oordeelt elk mens indivi-
dueel en biedt zijn genade op individuele basis aan. Maar God
wil wel graag al die individuen die in Hem geloven tot een
groep samensmelten. Het Oude Testament laat dat heel dui-
delijk zien. God hield Zich bezig met een volk. Hij gaf belof-
ten aan Abraham en aan diens nageslacht. 2 Hij beschouwde
het volk Israël als één geheel. Hij noemde dat volk zelfs zijn.142
zoon. 3 Hij wilde door middel van dat volk allerlei plannen
verwezenlijken. Hij wilde dat dat volk Hem zou gehoorza-
men. Op zijn beurt zou God hen dan op ongeëvenaarde wijze
zegenen, zowel materieel als immaterieel. 4 En belangrijker nog:
Hij wilde dat andere volkeren jaloers zouden worden op het
volk Israël en zouden gaan vragen naar de Bron van die voor-
spoed. 5 God wilde van zijn volk een zendingsvolk maken.
Wie het bijbelverhaal een klein beetje kent, weet dat Israël
zich niet erg goed van die opdracht heeft gekweten. De ge-
schiedenis van het nageslacht van Abraham is een jammerlijke
vertoning van afvalligheid en ongehoorzaamheid. Maar on-
danks alle teleurstellingen probeerde God het steeds opnieuw.
Na de zgn. Babylonische Ballingschap, waarbij het merendeel
der joden uit hun vaderland werd gedeporteerd, zorgde God
ervoor dat een klein deel - de Bijbel gebruikt heel karakteris-
tiek het woord ‘overblijfsel’ 6 - naar het eigen vaderland kon
terugkeren om een nieuwe start te maken. Helaas mislukte
ook dat weer na zeer korte tijd.
De kerk
Zoals God in oudtestamentische tijden zijn plannen voor
de wereld vooral via het volk Israël wilde verwezenlijken, zo
heeft Hij nu zijn aandacht vooral gevestigd op de kerk. Zoals
de oorsprong van het volk Israël het gevolg was van een god-
delijke daad, zo is ook het begin van de kerk rechtstreeks op
het handelen van God terug te voeren. Zodra Jezus optrad,
begon Hij een groep van 12 mannen om Zich heen te verza-
melen.
Uit Matteüs 16:18 en 19 blijkt zonneklaar dat het Jezus’
bedoeling was een gemeenschap van volgelingen te stichten.
De leerlingen van Jezus hebben het zo ook begrepen. In de
jaren na de dood en de opstanding van hun Meester trokken
zij als apostelen door de toenmaals bekende wereld om ge-
meenten te stichten. Die gemeenten waren hechte kernen met
een duidelijke organisatiestructuur. En overal waar gemeen-.143
ten werden gesticht werden regelmatig godsdienstoefeningen
gehouden. De apostelen en hun medewerkers spoorden daar-
bij steeds hun bekeerlingen aan deze ‘onderlinge bijeenkom-
sten’ niet te verzuimen. 7
De kerk van het begin
Wie wil weten hoe de kerk van de eerste eeuw functioneerde,
vindt een vrij groot aantal gegevens in het bijbelboek Hande-
lingen der Apostelen en in de zendbrieven die door de aposte-
len aan allerlei gemeenten werden geschreven. De apostelen
namen een aparte plaats in. Hun gezag was niet aan één plaats
gebonden. Vooral Petrus en Paulus speelden een heel belang-
rijke rol. Maar Jakobus, één van de zonen van Jozef en Maria,
mag men niet vergeten. Toen er een brandend probleem rees
over de relatie van de kerk tot allerlei joodse voorschriften,
werd een vergadering in Jeruzalem belegd, waarbij verschil-
lende apostelen (o.a. Petrus en Paulus) aanwezig waren en
waarbij deze Jakobus als voorzitter fungeerde. 8
Na verloop van betrekkelijk korte tijd ontwikkelde zich een
organisatievorm voor de plaatselijke gemeenten. Men koos
ouderlingen (ook wel ‘oudsten’ of ‘opzieners’ genoemd) en dia-
kenen. Deze laatsten hadden vooral de zorg voor de stoffelijke
noden van de kerkleden.
Tussen de gemeenten was sprake van onderlinge solidari-
teit. Zo lezen we herhaaldelijk dat de apostel Paulus zich er-
voor inzette om fondsen in te zamelen voor de gemeente in
Jeruzalem. De kerk van de eerste eeuw was geen volmaakte
gemeenschap. Vooral in de brieven aan verschillende gemeen-
ten wordt heel wat kritiek geleverd op bepaalde opvattingen.
Maar ondanks verschillen in inzicht - bijvoorbeeld tussen chris-
tenen die van joodse afkomst waren en christenen van hei-
dense origine - was er een fundamentele eenheid. Samen keek
men uit naar de terugkeer van de Heer. Samen werkte men
voor de verdere verkondiging van de boodschap..144
Ver deeldheid
Helaas ontstonden er al betrekkelijk spoedig scheuringen
in de christelijke kerk. Zo kwam in 160 een zekere Marcion
naar Rome om daar de kerkelijke leiders een heel andere Bij-
bel voor te houden als de canon waar men het ongeveer over
eens geworden was. Marcion erkende maar één van de vier
evangeliën en een tiental brieven van Paulus. Zijn optreden
werd het begin van de beweging van het Marcionisme. Niet
lang daarna begon in Klein Azië Montanus te verkondigen dat
het Nieuw Jeruzalem bij het dorpje Pepuza zou neerdalen. Met
twee profetessen stichtte hij het Montanisme.
In de tijd van de vervolgingen door de Romeinse keizers
ontstond verdeeldheid over de vraag op welke basis diegenen
weer lid van de kerk konden worden, die onder druk van de
vervolgingen Jezus hadden verloochend. Opnieuw waren
afscheidingsbewegingen het gevolg. Hetzelfde gebeurde rond
vraagstukken over de godheid en de persoon van Jezus Christus.
Dit proces hield na een paar eeuwen niet op. Integendeel.
In de middeleeuwen zien we allerlei groepen die volledig los
van de kerk geraken. We kunnen bijvoorbeeld denken aan de
Albigenzen en de Waldenzen. In de elfde eeuw vindt de grote
scheiding plaats tussen de kerken van het Westen en de ortho-
doxe kerken van het Oosten - een breuk die nog steeds niet is
geheeld.
De tweede grote breuk in het christendom was natuurlijk
de kerkhervorming van de zestiende eeuw, toen het westerse
christendom zich deelde in rooms-katholieken en protestan-
ten. Het rooms-katholieke segment van het christendom heeft
zich redelijk één weten te houden, maar het protestantisme is
het toneel geworden van een jammerlijke versplintering. In de
Ver enigde Staten is dat wellicht het ergste. Daar zijn honder-
den kerken en kerkjes ontstaan, soms met heel bizarre namen.
Wat dacht u van de ‘International Church of the Foursquare
Gospel’ (de Internationale Kerk van het Vierkante Evangelie).145
of van de ‘Two-Seed in the Spirit Predestinarian Baptists’ (hoe
zou je dat moeten vertalen?)
Maar laten Nederlanders niet beschuldigend de vinger op-
heffen naar de Amerikanen. Het protestantisme in Nederland
is ook niet bepaald een toonbeeld van eenheid, na de schei-
ding tussen Remonstranten en Contra-Remonstranten, de
Afscheiding en de Doleantie en andere scheuringen. Er schuilt
waarheid in het gezegde: Elke Nederlander is een theoloog;
twee Nederlanders vormen een kerk; drie Nederlanders en je
hebt een splitsing!
Een schande?
De verdeeldheid van het christendom is vaak een ‘schande’
genoemd. Anderen spreken over de ‘zonde’ van de verdeeld-
heid. Beide termen zijn van toepassing. Het was niet Gods
bedoeling dat iedereen zijn eigen weg zou gaan. Jezus had ge-
sproken over de ‘eenheid’ die onder zijn volgelingen zou heer-
sen door de werking van de heilige Geest. 9 Het behoeft ons
dan ook niet te verbazen dat naast alle activiteiten die ver-
deeldheid zaaiden er ook altijd weer pogingen zijn onderno-
men om terug te keren tot de door Christus bedoelde eenheid.
Meer dan ooit is dat sinds de negentiende eeuw het geval.
Het probleem van de verdeeldheid van de kerken werd vooral
acuut in de gebieden waar men zending en missie bedreef. De
primitieve volkeren die men met het evangelie trachtte te be-
reiken hadden eerst één godsdienst gekend met vele goden,
maar moesten nu ervaren hoe hun één God werd gepredikt,
verdeeld over talloze godsdiensten. In de negentiende eeuw
ging dit probleem de christelijke kerken - aanvankelijk vooral
de studenten - bezighouden. Maar pas in deze eeuw leidde dat
tot praktische gevolgen op grotere schaal. Nadat in 1925 de
beweging van Life and Work (Leven en Werken) was opgericht
om een stuk christelijke samenwerking te realiseren op het punt
van de praktijk van het christen-zijn, werd in 1927 een soort-
gelijke organisatie in het leven geroepen om zich gezamenlijk.146
met dogmatische vraagstukken bezig te houden, de beweging
voor Faith and Order (Geloof en Kerkorde). Deze beide aspec-
ten werden in 1948 samengebundeld in de Wereldraad van
Kerken die in dat jaar in Amsterdam werd opgericht. Inmid-
dels zijn zo’n 300 kerken en kerkjes lid geworden. Het meest
opmerkelijke is daarbij dat de Rooms-Katholieke Kerk tot
dusverre geen volledig lidmaatschap heeft aangevraagd (hoe-
wel de belangstelling voor oecumenische vraagstukken in
katholieke kring erg groot is) en dat de Kerk van de Zevende-
dags Adventisten (ook een wereldwijde beweging) er buiten is
gebleven. Op landelijk en plaatselijk niveau zijn ook allerlei
oecumenische initiatieven genomen. Er zijn landelijke en plaat-
selijke raden van kerken, etc.
Er zijn - haast onvermijdelijk - naast de Wereldraad ook
andere overkoepelende organisaties opgericht, zoals b.v. de
ICCC, de Internationale Raad van Christelijke Kerken, die de
Wereldraad veel te liberaal vindt.
Hoe moet dat streven naar eenheid worden gewaardeerd?
Er kan geen onenigheid bestaan over het feit dat de grote
versnippering van het christendom inderdaad een schandaal is
en dat het een schande is dat christenen elkaar te vuur en te
zwaard en op andere manieren hebben bevochten. Het is ver-
heugend dat men eindelijk op grote schaal dingen samen wil
doen; dat er conferenties zijn om elkaars standpunten te leren
kennen en begrip voor elkaar te krijgen. Geen christen kan
zonder interesse afzijdig blijven staan als een zo belangrijke
zaak als de eenheid van de kerk in het geding is.
Bedenkingen
Voor velen zijn de resultaten van alle oecumenische activi-
teiten tot dusver nogal teleurstellend. Men had er vaak meer
van verwacht. In enkele landen zijn de scheidsmuren tussen
de kerken nog even ondoordringbaar als vroeger. Het is de
vraag of die teleurstelling gewettigd is. Hoe zou men kunnen
verwachten dat een proces van vele eeuwen plotseling in en-.147
kele generaties ongedaan zou kunnen worden gemaakt? Dat
plotseling alle theologische verschilpunten zouden kunnen
worden opgelost en alle verschillende vormen van kerkbestuur
tot één geheel nieuw systeem kunnen worden omgesmeed
waarin iedereen zich kan vinden? En laten we niet vergeten,
dat er ook heel veel andere aspecten meespelen: nationale ge-
voelens, historisch verankerde gevoeligheden en zelfs politieke
verwikkelingen en machtselementen.
Op zich is het al heel wat dat er in zo’n dikke halve eeuw
waarin de oecumene nu vaart heeft gekregen op alle niveaus,
tussen bijna alle christelijke kerken en groepen, gesprekken op
gang zijn gekomen en dat men een heel wat beter beeld van
elkaar heeft gekregen. Echt teleurstellend is het wel dat een
van de hoofddoelen van het oecumenische streven niet bereikt
werd. Men meende dat een gezamenlijk optreden van de ker-
ken een geweldige impuls zou geven aan de verbreiding van
het evangelie, met name in de derde wereld. Dat is niet het
geval geweest. In feite blijkt uit de cijfers dat die kerken die
buiten de georganiseerde oecumene gebleven zijn in de afgelo-
pen periode hun zendingsactiviteiten sterk hebben uitgebreid,
terwijl de bij de Wereldraad aangesloten kerken gezamenlijk
hun activiteiten hebben zien teruglopen!
Een bedenking van heel velen is dat de Wereldraad van
Kerken - die de belichaming vormt van het wereldwijde oecu-
menische streven - zich teveel op het horizontale vlak heeft
begeven en zich te politiek opstelt. Daarentegen wordt aange-
voerd dat er veel dingen in deze wereld moeten veranderen en
dat de christenheid daarbij niet afzijdig kan blijven staan. Het
evangelie heeft immers een boodschap als het gaat om on-
recht, verdrukking en discriminatie. En het is waar dat de ker-
ken vaak uitsluitend hebben gepraat over de verticale dimen-
sie en tegelijkertijd de mensen in hun horizontale nood heb-
ben laten verkommeren. Maar de kritiek over een te politieke
en te horizontale opstelling van de Wereldraad van Kerken is
op bepaalde punten wel gewettigd. Want de politieke stelling-
name kan er gemakkelijk toe leiden dat men daardoor niet.148
meer de kans krijgt om de evangelieverkondiging in allerlei
landen voort te zetten. En daarnaast valt het velen op dat men
bij kritiek en verontwaardiging over onrecht en verdrukking
erg selectief te werk gaat. Over bepaalde dingen praat men
voortdurend, terwijl andere zaken steeds worden ontweken.
Een andere bedenking is het soort eenheid dat wordt nage-
streefd. Als we aan eenheid denken, moeten we dan denken
aan organische eenheid, d.w.z. aan één grote organisatie? Het
gevaar daarbij is dat men die eenheid kan gaan bevorderen
door een soort van toepassen van de grootste gemene deler:
allemaal een beetje water in de wijn, totdat er een redelijke
eenheid van leer en een zekere eenvormigheid van kerkbestuur
en liturgie is. Zo’n eenheid heeft Jezus natuurlijk niet bedoeld.
Dat is geen eenheid die gebaseerd is op het zuivere evangelie,
maar een menselijke constructie die het gevolg is van verre-
gaande compromissen. Nu zou het niet eerlijk zijn om te zeg-
gen dat men overal in de wereld van de oecumene een derge-
lijk type eenheid nastreeft. Wat je veeleer hoort, is dat men
beweert dat je één kunt zijn, ook al beleef je je geloof in ver-
schillende vormen en ook al denk je op bepaalde punten heel
verschillend. Maar het valt niet te ontkennen dat de geluiden
binnen de oecumenische beweging toch nog vaak tenderen in
de richting van organische eenheid.
De toekomst van de kerk - I
Er is nog een andere belangrijke reden om voorzichtig te
zijn in het oecumenische vlak. In de Bijbel - vooral in het
Nieuwe Testament - wordt ons bepaald niet het beeld geschil-
derd dat er in de tijd voordat Jezus terugkomt een superkerk
gaat ontstaan van echte loyale christenen die eindelijk de mu-
ren van verdeeldheid hebben geslecht en eensgezind de bij-
belse boodschap hebben omarmd. Vooral de Openbaring van
Johannes stemt tot nadenken. Dit gedeelte van de Bijbel ver-
telt over verschillende religieuze bewegingen. Onder verschil-
lende symbolen wordt duidelijk gemaakt dat er sprake zal zijn.149
van een federatie van Godvijandige machten - religieuze stro-
mingen die God vaarwel hebben gezegd doordat ze een eigen
systeem van waarheden boven de leer van de Bijbel hebben
geplaatst. Het woord Babylon valt in dit verband verschillende
keren. 10 En wie de Bijbel een beetje kent, weet dat die naam
weinig goeds inhoudt. We behoeven maar te denken aan de
torenbouw in Babel in het begin van de wereldgeschiedenis -
een daad van regelrechte rebellie tegen God. 11
Tegenover die grote kluwen van bewegingen en machten
die afvallig geworden is, staat een betrekkelijk kleine groep.
De apostel Johannes noemt hen ‘de overigen’ 12 , d.w.z. een kleine
minderheid. Dat zijn de mensen die echt trouw gebleven zijn.
Dat zijn degenen die de geboden van God bewaren en het
echte geloof van Jezus bezitten. 13
Dat profetische perspectief geeft wel aan dat het zaak is om
kritisch te staan ten opzichte van het eenheidsstreven dat zich
aan ons presenteert. Werken voor de eenheid die Jezus bedoelde
is een goede zaak, meer nog: een heilige plicht. Meewerken
aan de eenheid die ten slotte uitmondt in een geloof dat God
geen geloof kan noemen, is een dodelijk gevaar.
Waar is de kerk?
Wat is de ware kerk? En een andere vraag: is er wel zoiets als
een ware kerk? En nog een vraag: is er een verschil tussen ‘een
zichtbare kerk’ en ‘een onzichtbare kerk’? Om met dat laatste
te beginnen: Vaak is dat onderscheid gemaakt. Daarbij gaat
men dan uit van de gedachte dat God precies weet wie zijn
kinderen zijn, in welke kerkelijke gemeenschap zij zich ook
bevinden, of ook wanneer zij helemaal geïsoleerd hun geloof
belijden.
Niemand kan ontkennen dat er in die opvatting een grote
kern van waarheid schuilt. Als men tot een kerk hoort en elke
week keurig de kerkdiensten bezoekt, is dat nog geen garantie.150
dat alles tussen die mens en God in orde is. God kent de in-
nerlijke motieven. Hij alleen kan de mens zonder vergissingen
beoordelen. ‘De Here ziet het hart aan’, terwijl wij mensen
alleen zien ‘wat voor ogen is’. 14 Het moet te zijner tijd blijken
wie de toets van de goddelijke kritiek kan doorstaan. God maakt
dan scheiding tussen degenen die bij Hem horen en degenen
die niet bij Hem horen (zie ook blz. 51). Maar dat betekent
niet dat de ‘zichtbare’ kerk niet belangrijk is of dat het er hele-
maal niet toe doet tot welke kerkelijke groepering men be-
hoort.
Op grond van de bijbelse profetieën kan men stellen dat de
christenheid zich steeds meer in twee duidelijke kampen zal
gaan aftekenen. Het is belangrijk om dan bij de goede partij,
het ‘overblijfsel’, te horen, bij die minderheid die radikaal ge-
looft en God zonder compromissen dient.
Herkenbaar
Twee dingen worden heel specifiek gezegd over die minder-
heid die in de tijd van het einde moet opboksen tegen een
grote overmacht. Het gaat om mensen die God door dik en
dun blijven volgen. Zij zijn bereid Gods geboden te blijven
gehoorzamen, 15 ook al maakt hen dat uiterst impopulair. En
dat betreft natuurlijk alle geboden en niet een door ons zelf
gemaakte selectie. In een vorig hoofdstuk gingen we daar al
uitgebreid op in.
En als tweede kenmerk wordt genoemd: het hebben van
het geloof van Jezus, dat nader omschreven wordt als ‘de geest
der profetie’. 16 Dat wil dus zeggen dat het profetisch element
een heel belangrijke rol speelt. Deze mensen, die de geboden
van God gehoorzamen, laten zich leiden door de goddelijke
richtlijnen die door de profetieën worden gegeven - de profe-
tieën uit bijbelse tijden, maar ook uit recenter tijden en de
toekomst niet uitgesloten. 17
Vanzelf komen we hier op de andere ‘geestelijke gaven’ die
God aan de kerk gegeven heeft. Een enkel woord daarover is
wel op zijn plaats..151
De gaven van de Geest
De kerk heeft een opdracht. Elke gelovige heeft één of meer
talenten die hij moet gebruiken om zijn steentje bij te dragen
bij de uitbouw van de kerk. Maar die natuurlijke talenten zijn
vaak niet voldoende om de uitdagingen aan te kunnen waar-
voor men gesteld wordt. En om nu deze lacunes in ons vermo-
gen aan te vullen heeft God aan zijn kinderen ‘geestelijke ga-
ven’ gegeven. 18 Soms betreft het in onze ogen heel simpele ga-
ven, bijvoorbeeld de gave om andere mensen goed te kunnen
helpen, of de gave van het leiding geven en het besturen. Maar
er zijn ook gaven die meer ingrijpen en meer opzien baren. Zo
is er de gave van genezing en de gave van het spreken in ton-
gen. Maar voor de laatste fase van de geschiedenis is het toch
vooral de gave van de profetie die op de voorgrond treedt. 19 Al
de gaven die de Bijbel noemt hebben één doel: de gemeente
beter toe te rusten voor haar taak: de boodschap van Jezus
Christus te verspreiden.
Bijzondere accenten
In het laatste bijbelboek dat zoveel informatie geeft over
onze tijd en over de nog toekomstige dingen, wordt ook het
een en ander over de evangelieboodschap die moet worden
gebracht, gezegd. 20 In symbolische taal wordt verteld dat die
boodschap niet verschilt van de boodschap die door alle tijden
heen is gebracht. Het gaat om ‘het eeuwige evangelie’ dat ge-
bracht moet worden aan de gehele wereld. Maar er zijn drie
bijzondere accenten die vooral de nadruk moeten krijgen.
In de eerste plaats is dat het feit dat God geëerd moet wor-
den als de Schepper. In een tijd waarin het schepsel zichzelf
tot maat van alle dingen maakt en de rechten van de Schepper
met voeten treedt, is dat een heel actueel geluid. In de tweede
plaats klinkt een oproep om zich los te maken van alles wat
van God afvoert en God ontrouw is geworden. Heel sterk wordt
dat gezegd: uit te gaan uit Babylon! Die boodschap zal aan.152
actualiteit winnen naarmate de tijd voortschrijdt en de ont-
wikkelingen zich voordoen waarvan de profetieën de vage con-
touren al aangeven. Het derde accent is dat er een volledige
scheiding der geesten zal komen tussen Godgetrouwen en
Godvijandigen en dat het conflict tussen die twee kampen zich
zal toespitsen op gehoorzaamheid aan de wet van God.
Wat heeft de kerk te bieden?
Sommigen antwoorden op die vraag: ‘Niet veel!’ Ik zou wil-
len zeggen: ‘Het hangt er maar vanaf wat je van de kerk ver-
wacht!’ Ik hoorde eens een heel goede definitie van het begrip
‘kerk’: De kerk is de plaats waar God samen is met zondaren!
Die definitie geeft in enkele woorden weer wat de kerk te bie-
den heeft: contact met God. Ook al is het mogelijk - en nood-
zakelijk - om het persoonlijk contact met God te onderhou-
den, het samen God aanbidden, het samen zingen, het samen
luisteren naar de prediking van het Woord, is een zo kostbare
ervaring dat men die voor een goed functioneren van zijn ge-
loofsleven niet zou kunnen en vooral niet zou willen missen.
Het laat zich moeilijk omschrijven wat het precies is dat dit zo
de moeite waard maakt. Misschien is het woord inspiratie nog
het beste. Het inspireert om samen te zijn met anderen en
samen God te eren. Het geeft moed. Wij hebben het als men-
sen nodig om contacten te hebben met gelijkgerichten. We
kunnen elkaar bemoedigen, helpen, inspireren, ons aan elkaar
optrekken.
Maar er is meer. In de kerk vindt men de sacramenten. We
spraken al over de doop, die heilige gebeurtenis aan het begin
van het christelijke leven. In dit verband moeten we ook wij-
zen op het avondmaal. Regelmatig wordt in de kerk het avond-
maal gevierd. Door middel van brood en wijn wordt op sym-
bolische wijze het lijden en sterven van Jezus Christus voor
onze zonden heel concreet onder onze aandacht gebracht. 21
Het regelmatig deelnemen aan deze bijzondere ceremonie
is een belangrijk steunpunt in het leven van een kind van God.
Eten van het brood en drinken van de wijn heeft een veel gro-.153
tere zeggingskracht dan duizend preken over het offer van Je-
zus en jarenlange geestelijke meditatie. Deelnemen aan het
avondmaal is een onmisbare ervaring voor wie geestelijk wil
groeien.
Nogmaals: waar is de kerk?
Pilatus zei het al: ‘Wat is waarheid?’ Uiteindelijk kom je
toch weer bij die vraag terecht. Weten wat waarheid is, is niet
altijd even gemakkelijk. Soms kost het jaren van zoeken, voor
je zeker weet waar je moet zijn. Laat dat geen reden voor u zijn
om in de tijd dat u het antwoord nog niet helemaal weet en
nog zoekt, maar niet naar de kerk te gaan. Want ook al zouden
er in de kerk die u bezoekt dingen worden verkondigd die niet
helemaal bijbels zijn, dan wil dat nog niet zeggen dat u in dat
geval geen zegen zou kunnen ontvangen. De geest van God
wipt gemakkelijker over de muren tussen de kerken heen dan
wij mensen.
Maar daar moet wel ogenblikkelijk aan toegevoegd worden
dat men steeds nauwgezet de Bijbel moet blijven bestuderen
en voortdurend moet nagaan wat de bijbelse boodschap is.
Dat kan na verloop van tijd betekenen dat men na ernstig
overleg en gebed naar die kerkelijke gemeenschap gaat waar de
bijbelse boodschap het meest tot zijn recht komt. God vraagt
van ons dat we zoeken en dat we dan onze ogen niet sluiten
voor wat we vinden. Maar Hij heeft genoeg geduld om ons
toe te staan om er desnoods jaren over te doen. Maar als we
zekerheid hebben over de weg die we zouden moeten gaan,
moeten we niet uitstellen. ‘Als iemand weet goed te doen en
het niet doet, is het hem tot zonde’. 22
De toekomst van de kerk - II
Over de toekomst van de kerk hoort men vaak allerlei som-
bere berichten. Het kerkbezoek loopt in heel wat gemeenten.154
terug. Vooral jongere mensen zijn in veel gevallen weinig ac-
tief bij kerkelijke aangelegenheden betrokken. Men heeft naar
verhouding steeds minder voor de kerk over. Dat zijn veel ge-
hoorde klachten, die vaak tot de conclusie leiden dat het er
voor de kerk maar slecht uitziet.
We hebben al melding gemaakt van het profetische beeld
van de toekomst. Daaruit mogen we afleiden dat er inderdaad
alle reden is om ongerust te zijn. Er is sprake van een steeds
verdergaande afval van het bijbels evangelie. Helaas zal die
ontwikkeling zich voortzetten tot aan het einde van de tijd.
Maar het beeld heeft ook een keerzijde. Ondanks alles wat
er kan gebeuren zullen er mensen zijn die God trouw blijven.
Zelfs als er vervolgingen zouden losbarsten. Het ligt niet zo
voor de hand om te denken dat er in ons deel van de wereld op
korte termijn geloofsvervolgingen zullen komen. In heel wat
landen zijn ze echter aan de orde van de dag.
En ook in onze omgeving kunnen de gevoelens van tole-
rantie voor een minderheid verrassend snel omslaan in gevoe-
lens van agressie en haat. We behoeven daarop niet vooruit te
lopen. We behoeven de problemen ook niet naar ons toe te
praten. Maar we mogen evenmin onze ogen sluiten voor de
realiteit, vooral als de bijbelse profetieën ons voor dit soort
ontwikkelingen waarschuwen.
Maar voor wie voor God gekozen heeft is de toekomst uit-
eindelijk helemaal niet somber. God heeft beloofd dat Hij zijn
mensen niet in de steek zal laten. Wie ‘getrouw is tot het einde’
zal ‘het koninkrijk beërven’. 23 Dat is de toekomst voor de kerk
van Christus. Haar geschiedenis eindigt niet, maar heeft een
eeuwig vervolg in het nieuwe rijk dat God gaat stichten.
Geloven is een avontuur. Het zou zelfs een gevaarlijk avon-
tuur kunnen zijn. Maar het is een avontuur dat een bevredi-
ging schenkt die je moet hebben ervaren wil je er over kunnen
praten. En het mooiste is: het is een eeuwig avontuur..1. Openbaring 1:9.
2. Genesis 12:1-3; 15:18; 17:2-7.
3. Hosea 11:1.
4. Zie o.a. Exodus 15:26; Deuteronomium 7:12-15; 4:6; 7:13; 28:3-5, 8,
12; Jesaja 51:3; Jeremia 33:9; Maleachi 3:12.
5. Zie b.v. Jesaja 2:2, 3; 10:11; Jeremia 3:17.
6. B.v. Jesaja 1:9; Jeremia 23:3.
7. Hebreeën 10:25.
8. Zie Handelingen 15.
9. Johannes 17:11, 21-23.
10. Vooral Openbaring 13; 17; 18.
11. Genesis 11:1-9.
12. Openbaring 12:17.
13. Idem.
14. 1 Samuël 16:7.
15. Openbaring 12:17; 14:12.
16. Openbaring 15:10.
17. Joël 2:18, 19.
18. Zie Romeinen 12:6-8; 1 Korintiërs 12:4-11.
19. 1 Korintiërs 14:1; Joël 2:28, 29; Openbaring 19:10.
20. Openbaring 14:6-11.
21. 1 Korintiërs 11:23-26.
22. Jakobus 4:17.
23. Openbaring 2:10


Het maakt wel uit wat je geloofd